Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AV9449
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De regeling met betrekking tot vrijstelling van sollicitatieplicht voor werklozen ouder dan 57,5 jaar is gewijzigd. Is de mededeling aan betrokkene daaromtrent een appellabel besluit?
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/1610 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 1 februari 2005, nr. WW 04/1076, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 8 februari 2006, waar voor appellant is verschenen mr. J.O. Zuurmond, advocaat te Hilversum, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Appellant, geboren in augustus 1945, is op 1 december 1964 in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van TPG Post. Bij beschikking van 22 november 2002 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst van appellant op verzoek van de werkgever met ingang van 1 december 2002 ontbonden. Daarbij is appellant een vergoeding toegekend van € 22.547,58. Uitgaande van 1 mei 2003 als dag waarop de werkloosheid, in de zin van de WW, van appellant is ingetreden heeft gedaagde aan appellant bij besluit van 9 juli 2003 een WW-uitkering met ingang van 1 mei 2003 toegekend. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden.

2.2. Bij (ongedateerde) brief van december 2003 heeft gedaagde aan appellant mededeling gedaan van het van kracht worden van de Regeling vrijstelling verplichtingen WW (hierna: de Regeling), opgesteld door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid welke regeling per 1 januari 2004 in werking zou treden. Als gevolg hiervan is de vrijstelling van de sollicitatieplicht voor werknemers van 57,5 jaar en ouder ingetrokken. De Regeling is niet van toepassing op werknemers die op de datum van inwerkingtreden reeds gedurende één jaar of langer werkloos waren in de zin van de WW.

2.3. In reactie op bovengenoemde brief heeft appellant op 18 januari 2004 een brief aan gedaagde gestuurd, waarin hij stelt het niet eens te zijn met het op hem van toepassing worden van de Regeling. Appellant meent dat hij per 1 december 2002 werkloos is geworden omdat de arbeidsovereenkomst met ingang van die datum is ontbonden.

2.4. In antwoord hierop heeft gedaagde appellant bij brief van 23 januari 2004 bericht dat uit de omstandigheid dat 1 mei 2003 als eerste werkloosheidsdag in de zin van de WW is vastgesteld, zoals appellant bij het toekenningsbesluit is meegedeeld, voortvloeit dat appellant op 1 januari 2004 minder dan één jaar werkloos is. Derhalve is appellant vanaf laatstgenoemde datum verplicht om sollicitatieactiviteiten te verrichten.

2.5. Uitgaande van de veronderstelling dat de brief van 23 januari 2004 moet worden gezien als een weigering appellant ontheffing te verlenen van de alsnog op hem van toepassing geworden verplichting om concrete sollicitatieactiviteiten te verrichten, heeft appellant een bezwaarschrift ingediend tegen de brief van 23 januari 2004. Bij besluit van 13 mei 2004, het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft gedaagde terecht en op goede gronden bepaald dat appellant niet kan worden gerekend tot de categorieën van personen die op grond van de Regeling voor het recht op een werkloosheidsuitkering zijn vrijgesteld van - onder meer - de sollicitatieplicht. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de brief van 23 januari 2004 is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4. In hoger beroep heeft appellant de uitspraak van de rechtbank bestreden, waarbij hij zich op het standpunt blijft stellen dat hij ten onrechte niet is vrijgesteld van de verplichting te solliciteren. De afstand tot de arbeidsmarkt is in zijn geval zo groot, dat sollicitaties geen enkel perspectief bieden. Deels is dit terug te voeren op zijn leeftijd, deels op de langdurige periode waarin hij, voorafgaand aan de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst door de kantonrechter, wegens ziekte niet heeft gewerkt, aldus appellant.

5. Ter beoordeling staat of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit.

5.1. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Ambtshalve overweegt de Raad hiertoe het volgende.

5.2. In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Onder rechtshandeling wordt verstaan een handeling gericht op rechtsgevolg.

5.3. De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de brief van 23 januari 2004 niet aan dit besluitbegrip voldoet. Het betreft hier de vaststelling dat appellant, uitgaande van 1 mei 2003 als eerste werkloosheidsdag, op 1 januari 2004 niet langer dan één jaar werkloos is. Voorzover appellant wil betogen dat de brief van 23 januari 2004 erop gericht is hem de verplichting op te leggen te solliciteren en om die reden op rechtsgevolg is gericht, overweegt de Raad dat deze stelling moet worden verworpen omdat die verplichting rechtstreeks voortvloeit uit artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW en niet uit de brief van 23 januari 2004. Ingevolge die bepaling dient de werknemer te voorkomen dat hij werkloos is of blijft, doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen. De maatstaven ter beoordeling of een werknemer aan deze verplichting heeft voldaan zijn neergelegd in het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW, ingevolge welke beleidsregel de werknemer voldoet aan zijn in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW neergelegde verplichting indien hij concrete sollicitatieactiviteiten ontplooit in de in dat besluit vermelde omvang. De WW bevat geen bepaling op grond waarvan een uitvoeringsinstelling in een individueel geval vrijstelling kan verlenen van de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van die wet neergelegde verplichting. Die brief van 23 januari 2004 bevat dus een mededeling van feitelijke aard en is niet gericht op enig rechtsgevolg. Zij behelst derhalve geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen ingevolge artikel 7:1 van de Awb een bezwaarschrift kan worden ingediend.

5.4. Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat gedaagde appellant ten onrechte in zijn bezwaar heeft ontvangen.

5.5. Het bestreden besluit komt derhalve voor vernietiging in aanmerking evenals de aangevallen uitspraak waarbij dit besluit in stand is gelaten. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb appellant alsnog niet-ontvankelijk verklaren in zijn bezwaar.

5.6. Gezien het bovenstaande komt de Raad aan de beoordeling van het standpunt van appellant dat hij dient te worden ontslagen van de plicht om te solliciteren niet toe.

6. De Raad acht in verband met het vorenoverwogene termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de kosten van appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep. De totale kosten, betrekking hebbende op verleende rechtsbijstand, worden derhalve begroot op € 1.288,--.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Verklaart het bezwaar tegen de brief van 23 januari 2004 niet-ontvankelijk;
Bepaalt dat de uitspraak van de Raad in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
Veroordeelt gedaagde in de door appellant in verband met de behandeling van beroep en hoger beroep gemaakte kosten tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het gestorte recht van in totaal € 140,-- (€ 37,-- + € 103,--) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2006.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x