Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AV9463
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Kortdurende WW-uitkering. Er bestaat geen recht op een loongerelateerde en vervolguitkering. Voldoet betrokkene aan de arbeidsverledeneis (vier-uit-vijfeis)?
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/1280 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift (met bijlage) aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een op 4 januari 2005, onder nr. AWB 04/1705, door de rechtbank ’s-Hertogenbosch tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 8 februari 2006, waar geen van de partijen (gedaagde met voorafgaand bericht) is verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een meer uitgebreide weergave van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende.

Appellant heeft op 23 december 2003 bij gedaagde een uitkering krachtens de WW aangevraagd. Bij besluit van 10 februari 2004 heeft gedaagde onder meer aan appellant medegedeeld, dat hij met ingang van 3 november 2003 recht heeft op een kortdurende uitkering omdat hij niet voldoet aan de zogenoemde arbeidsverledeneis, neergelegd in artikel 17, aanhef en onder b, van de WW, nu hij in de vijf kalenderjaren onmiddellijk voorafgaande aan het jaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is gelegen, niet in vier jaar over tenminste 52 dagen per jaar loon heeft ontvangen (hierna ook: vier-uit-vijfeis). Appellant heeft derhalve geen recht op een loongerelateerde uitkering en evenmin op een vervolguitkering. Tevens heeft gedaagde bij dit besluit aan appellant bericht, dat diens uitkering is gebaseerd op een aantal van 11,90 arbeidsuren per week en dat zijn dagloon is vastgesteld op € 26,04.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en daarbij onder meer gesteld, dat gedaagde ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen dat hij in het jaar 2001 wel over 52 dagen loon heeft ontvangen, omdat hij in dat jaar zwart bij een vervoersbedrijf te Amsterdam heeft gewerkt. Tevens heeft appellant zich op het standpunt gesteld, dat hij bij zijn laatste werkgever, Witlox Xhonneux BV te Best (hierna: Witlox) gemiddeld 40 uur per week, althans meer dan de door gedaagde in aanmerking genomen uren heeft gewerkt.

Bij besluit van 17 mei 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Daarbij heeft gedaagde allereerst overwogen, dat appellant in de gelegenheid is gesteld om aan te tonen dat hij wel aan de vier-uit-vijfeis voldoet, maar dat appellant terzake geen enkel bewijsstuk heeft overgelegd en met name niet heeft kunnen aantonen in 2001 te hebben gewerkt. Appellant komt derhalve ook niet in aanmerking voor een vervolguitkering, zulks ook al niet omdat diens eerste werkloosheidsdag niet voor 11 augustus 2003 is gelegen (in verband met de afschaffing van de vervolguitkering). Tevens heeft gedaagde aangegeven dat uit de beschikbare gegevens op zich niets anders valt af te leiden dan dat appellant bij de laatste werkgever gemiddeld 11,90 uur per week werkzaam was, maar dat deze werkgever naar aanleiding van een verzoek om informatie van gedaagde heeft gesteld, dat appellant naast diens reguliere werk voor hem nog andere werkzaamheden verrichtte (voor € 9,-- per uur). Hoewel de gegevens op dit punt niet geheel duidelijk zijn, heeft gedaagde appellant terzake het voordeel van de twijfel gegeven en het gemiddeld aantal arbeidsuren nader op 26 uur per week bepaald en tevens diens dagloon alsnog gesteld op € 53,36.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 17 mei 2004. Daarbij heeft hij onder andere zijn stelling herhaald, dat hij wel aan de arbeidsverledeneis voldoet en dat hij laatstelijk ook meer dan de alsnog in aanmerking genomen 26 uur per week heeft gewerkt. Hij dient niet de dupe te worden van het feit dat niet meer gegevens voorhanden zijn en hij mag niet het slachtoffer te worden van administratieve misstanden en trucs van zijn voormalige werkgevers.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen, dat appellant geen enkele feitelijke onderbouwing heeft gegeven van zijn stellingen terzake van het voldoen aan de vier-uit-vijfeis. De enkele mededeling dat hij in 2001 zwart heeft gewerkt bij een bepaalde werkgever is daartoe onvoldoende. Nu appellant niet in aanmerking komt voor een loongerelateerde uitkering heeft hij, ingevolge het bepaalde in artikel 48 van de WW (zoals deze bepaling destijds luidde), geen recht op een vervolguitkering. Met betrekking tot het aantal arbeidsuren heeft de rechtbank het standpunt van gedaagde onderschreven: appellant heeft niet aangetoond op meer dan 26 uur gemiddeld per week te hebben gewerkt; het komt voor diens rekening en risico dat hij genoegen heeft genomen met een wijze van betaling bij de laatste werkgever op basis waarvan achteraf niet meer is vast te stellen hoeveel uur precies is gewerkt.

Appellant heeft in hoger beroep grosso modo hetgeen hij in bezwaar en beroep heeft gesteld herhaald.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad kan hetgeen door de rechtbank is overwogen en beslist geheel onderschrijven.

De Raad voegt daaraan nog toe, dat uit artikel 17 van de WW volgt, dat het - bij gebrek aan bij gedaagde beschikbare gegevens - aan de werknemer is om aan te tonen dat aan de arbeidsverledeneis is voldaan. Appellant heeft, zoals ook door de rechtbank is vastgesteld, geen enkel gegeven in geding gebracht waaruit is af te leiden, dat hij in 2001 heeft gewerkt. Ook ten aanzien van de stelling van appellant dat hij gemiddeld 40 uur per week, althans meer dan 26 uur per week, bij de laatste werkgever heeft gewerkt, kan slechts worden geconstateerd dat terzake geen enkel bewijsstuk voorhanden is. Overigens is appellant zeker niet tekort gedaan doordat gedaagde naar aanleiding van de enkele mededeling van Witlox dat sprake was van extra “privé-werkzaamheden”, het in aanmerking te nemen aantal uren en dientengevolge ook het dagloon naar boven heeft bijgesteld.

Uit het voorgaande volgt, dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht omtrent de vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2006.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x