Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AV9482
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid. De leidinggevenden zijn onheus bejegend. Meningsverschil over de hoogte van het salaris en de toekenning van een bonus. Betrokkene heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen zijn ontslag.
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/1036 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is op daartoe bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 30 december 2004, nr. AWB 03/5035 WW, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 8 februari 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. E.A.M. Ammerlaan, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.M. Kleijs, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

Appellant is vanaf 19 november 2001 (vanaf 1 november 2002 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd) werkzaam als [naam functie] bij het bedrijf Amphenol Benelux B.V., gevestigd te Houten (hierna: de werkgever). Blijkens de gedingstukken heeft zich in februari 2003 een verschil van mening tussen appellant en zijn werkgever voorgedaan over de beloning van appellant, waarbij de werkgever niet wilde ingaan op de wens van appellant tot toekenning van een hoger salaris en een bonus. Volgens de door de werkgever overgelegde gegevens heeft appellant zijn leidinggevenden voor leugenaar uitgemaakt en heeft hij hen beschuldigd van het manipuleren van omzetcijfers teneinde te voorkomen dat hem een bonus moest worden uitgekeerd. Op 24 februari 2003 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen appellant, zijn leidinggevende en de adjunct-directeur, waarbij is gesproken over het functioneren van appellant en de beŽindiging van zijn dienstverband met wederzijds goedvinden. Na afloop van dit gesprek heeft appellant bij de werkgever zijn sleutels en toegangspas ingeleverd en heeft hij zich daags daarna ziek gemeld. Bij beschikking van 29 april 2003 heeft de kantonrechter op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst met appellant met ingang van 1 juni 2003 ontbonden met toekenning van een vergoeding van Ä 4.065,-- bruto.

Op 11 juni 2003 heeft appellant bij gedaagde een aanvraag om toekenning van een WW-uitkering ingediend. Bij besluit van 8 juli 2003 heeft gedaagde de WW-uitkering van appellant met ingang van 2 juni 2003 blijvend geheel geweigerd omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden. Daartoe is overwogen dat appellant zich bij zijn werkgever zo heeft gedragen dat hij behoorde te weten of kon weten dat ontslag zou volgen. Van omstandigheden die in de situatie van appellant tot verminderde verwijtbaarheid zouden moeten leiden, is daarbij niet gebleken. Bij besluit op bezwaar van 18 september 2003 (het bestreden besluit) heeft gedaagde zijn standpunt gehandhaafd, primair op de grond dat appellant wordt verweten dat hij zijn leidinggevenden onheus heeft bejegend en subsidiair op de grond dat hem wordt verweten dat hij geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen zijn ontslag.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat appellant onnodig actief heeft meegewerkt aan het beŽindigen van zijn dienstbetrekking. Waar appellant van mening was dat hem geen verwijt trof in het conflict met zijn leidinggevenden, had het volgens de rechtbank in de rede gelegen dat hij zich tegen het voorstel van de werkgever tot ontbinding zou hebben verzet en dat hij in de erop gevolgde ontbindingsprocedure inhoudelijk verweer zou hebben gevoerd. Daarvan is niet gebleken. De rechtbank volgde appellant niet in zijn stelling dat het voeren van verweer geen enkele kans van slagen zou hebben gehad en derhalve niet van hem kon worden gevergd. De rechtbank achtte het niet uitgesloten dat wanneer appellant zich in een vroegtijdig stadium zou hebben verzet tegen het ontbindingsvoorstel van de werkgever en hij dit verzet zou hebben gehandhaafd in de ontbindingsprocedure, het resultaat hiervan zou zijn dat appellant zijn dienstbetrekking had kunnen behouden, dan wel, indien de werkgever het verzoek tot ontbinding vanwege de verstoorde arbeidsrelatie zou handhaven, dit na een inhoudelijke behandeling door de kantonrechter tot de conclusie had kunnen leiden dat appellant ten aanzien van de ontbinding geen verwijt zou kunnen worden gemaakt.

Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Daartoe is aangevoerd dat hij van mening is dat hij zich niet zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs kon weten dat zijn arbeidsovereenkomst zou eindigen. Voorts meent appellant dat de kantonrechter hoe dan ook tot ontbinding zou zijn overgegaan wegens een verandering van omstandigheden en dat hij er alles aan heeft gedaan om te voorkomen dat hij een aanspraak zou dienen te maken op een WW-uitkering door veelvuldig te solliciteren. Er zou in zijn visie ook sprake zijn van een ongelijke behandeling nu het grootste deel van de werknemers van wie de arbeidsovereenkomst is ontbonden zonder mondelinge behandeling door de kantonrechter, niet verwijtbaar werkloos wordt geacht.

De Raad overweegt het volgende.

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank zich terecht en op goede gronden achter het standpunt van gedaagde heeft gesteld dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder b, van die wet en of in verband hiermee de uitkering terecht blijvend geheel is geweigerd.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd, bevat in vergelijking met hetgeen reeds eerder is aangevoerd geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten, terwijl hetgeen door de rechtbank is vastgesteld en overwogen door de Raad wordt onderschreven. Ook de Raad stelt vast dat in de voorhanden zijnde gegevens voldoende steun wordt gevonden voor het standpunt van gedaagde dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Naar het oordeel van de Raad kan uit die gegevens worden afgeleid dat, vanaf het moment dat er in februari 2003 tussen appellant en zijn leidinggevenden een meningsverschil over de hoogte van het salaris en de toekenning van de bonus is ontstaan, de opstelling van appellant erop gericht was een einde te doen maken aan zijn dienstverband. In dat verband wijst de Raad erop dat appellant reeds op 24 februari 2003 met zijn werkgever heeft afgesproken om met wederzijdse instemming de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter te laten ontbinden. Uit de daarna gevoerde correspondentie tussen appellant en zijn werkgever blijkt dat daarbij uitsluitend nog werd onderhandeld over de financiŽle voorwaarden van de ontbinding, terwijl uit het verweer in de ontbindingsprocedure evenmin blijkt dat dit was gericht op behoud van zijn dienstverband. Gelet op het vorenstaande kan de Raad het standpunt van appellant dat hij er alles aan heeft gedaan om zijn werkloosheid te voorkomen dan ook niet volgen.

Ook de grief van appellant dat sprake zou zijn van een ongelijke behandeling omdat het grootste deel van de werknemers, van wie de arbeidsovereenkomst zonder mondelinge behandeling door de kantonrechter wordt ontbonden, niet verwijtbaar werkloos wordt geacht, kan niet slagen nu appellant op geen enkele wijze heeft aangegeven waarom en in welke concrete gevallen hier sprake zou zijn van rechtens vergelijkbare situaties.

Op grond van het voorgaande wordt door de Raad geconcludeerd dat appellant verwijtbaar heeft ingestemd met de gang van zaken die leidde tot de beŽindiging van zijn dienstverband en dat hij de verplichting om niet werkloos te worden niet is nagekomen. Gelet op artikel 27, eerste lid, van de WW was gedaagde gehouden de uitkering blijvend geheel te weigeren. In de omstandigheden van het geval ziet de Raad geen aanleiding waarom gedaagde de opgelegde maatregel zou moeten matigen.

De Raad komt dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2006.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x