Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AW2221
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Ingangsdatum van het recht op WW-uitkering. Er is geen sprake van een bijzonder geval.
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/1794 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. A.J.T. de Bree, advocaat te ís-Gravenhage, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ís-Gravenhage op 3 februari 2005, reg.nrs. AWB 05/329 WW en 05/330 WW, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 15 februari 2006, waar voor appellante is verschenen mr. De Bree voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M. de Graaff, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Appellante was voor 33,35 uur per week werkzaam bij [naam werkgever 1] In verband met het faillissement van deze werkgever heeft appellante tot 25 juni 2003 een faillissementsuitkering ontvangen. Per 1 juni 2003 is appellante voor 12 uur per week gaan werken bij [werkgever 2] te [vestigingsplaats] (hierna: de werkgever). Per 1 december 2003 is het aantal uren uitgebreid tot 20 uur per week. Per 1 juni 2004 is het contract met deze werkgever van rechtswege geŽindigd. Bij besluit van 22 juli 2004 heeft gedaagde aan appellante met ingang van 2 juni 2004 een WW-uitkering toegekend.

3. Nadat gedaagde zich aanvankelijk op het standpunt stelde dat er geen sprake was van urenverlies dan wel dat appellante niet beschikbaar was voor arbeid, heeft gedaagde bij het thans bestreden besluit van 5 november 2004, aangevuld bij beslissing op bezwaar van 7 december 2004, meegedeeld dat met ingang van 23 juni 2003 recht bestaat op WW-uitkering, doch dat dit recht niet eerder dan met ingang van 8 december 2003 geldend kan worden gemaakt. Er is geen sprake van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan het recht eerder geldend zou moeten worden gemaakt. Voorts heeft gedaagde een maatregel inhoudend een korting van 20 procent van de uitkering opgelegd over de periode van 23 juni 2003 tot en met 29 mei 2004 in verband met de te late aanvraag van de WW-uitkering.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat gelet op de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is verhandeld, moet worden geoordeeld dat niet aannemelijk is dat appellante op 23 juni 2003 een WW-aanvraag heeft ingediend. Gedaagde heeft terecht besloten dat het recht op WW niet eerder dan 8 december 2003 geldend kan worden gemaakt. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden die er op wijzen dat appellante zodanig door gedaagde op het verkeerde been is gezet dat zij verschoonbaar in de onjuiste veronderstelling verkeerde dat ten behoeve van haar per 23 juni 2003 een WW-uitkering was aangevraagd. Voorts is het gegeven dat zij in de periode 2002-2003 veel schulden heeft gemaakt niet als een bijzondere omstandigheid aan te merken. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van redenen op grond waarvan gedaagde gehouden was om het geldend maken van het recht eerder dan 8 december 2003 te laten ingaan.

5. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat uit de vermelde getuigenverklaringen wel degelijk is gebleken van feiten en omstandigheden die erop wijzen dat appellante zodanig door gedaagde op het verkeerde been is gezet dat zij verschoonbaar in de onjuiste veronderstelling verkeerde dat ten behoeve van haar op 23 juni 2003 een WW-uitkering was aangevraagd. Gedaagde was dan ook gehouden om de uitkering eerder dan 8 december 2003 te laten ingaan. Voorts heeft appellante gesteld dat de rechtbank ten onrechte haar schuldenpositie niet als een bijzondere omstandigheid heeft aangemerkt.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1. Ingevolge artikel 23 van de WW kan het recht op uitkering niet worden vastgesteld over perioden gelegen voor 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd in bijzondere gevallen daar van af te wijken.

6.2. De Raad stelt vast dat appellante voorafgaand aan haar aanvraag van 8 juni 2004 geen aanvraag heeft ingediend om in aanmerking te komen voor een WW-uitkering met ingang van 23 juni 2003. Dit betekent dat ingevolge voornoemd artikel het recht op WW-uitkering eerst per 8 december 2003 geldend kan worden gemaakt, tenzij sprake is van een bijzonder geval. De Raad is van oordeel dat geen sprake is van een bijzonder geval.

6.3. Het is de Raad niet gebleken van feiten en omstandigheden die er op wijzen dat appellante door gedaagde op het verkeerde been is gezet. Appellante heeft in het kader van de faillissementsuitkering foldermateriaal ontvangen waarin zij er op is gewezen dat zij een aparte aanvraag om WW-uitkering moest doen. Ook in de voorschotbeslissing inzake de faillissementsuitkering is appellante daar uitdrukkelijk op gewezen. Voorzover de brief van de curator van 22 mei 2003 voor appellante nog onduidelijkheden opleverde over het indienen van een aanvraag of over het recht op WW-uitkering had het op haar weg gelegen om bij gedaagde informatie te vragen. De Raad wijst er overigens nog op dat, voorzover die onduidelijkheden nog bestonden, met de brief waarbij het voorschot werd toegekend in ieder geval ondubbelzinnig werd aangegeven dat appellante een afzonderlijke aanvraag diende te doen. De stelling dat sprake is van een bijzonder geval slaagt dan ook niet. Dat appellante de Nederlandse taal niet goed beheerst, is geen reden om tot een ander oordeel te komen.

6.4. Ook hetgeen overigens door appellante is aangevoerd kan niet tot het oordeel leiden dat sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan gedaagde gehouden was de WW-uitkering eerder dan 8 december 2003 tot betaling te laten komen.

6.5. Uit het vorenstaande blijkt dat het hoger beroep van appellante niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2006.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x