Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AX1614
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-04-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Geen (gedeeltelijk) herleefde WW-uitkering.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/5369 WW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo van 18 juli 2005, 05/721 WW en 05/492 WW (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 april 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van de Raad verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 26 oktober 2005 ( 05/5500 WW-VV) heeft de voorzieningenrechter van de Raad het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2006. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.G.T. Hanterink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

1.1. Appellant was sedert 1 januari 1999 op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst van [werkgeefster] (hierna: [werkgeefster]) te Almelo en werkzaam als adjunct directeur business development tegen een salaris van € 6.110,-- bruto per vier weken exclusief emolumenten. Bij beschikking van 26 februari 2004 heeft de kantonrechter te Almelo, op verzoek van [werkgeefster], de tussen appellant en [werkgeefster] bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 maart 2004 ontbonden, onder toekenning van een vergoeding aan appellant van € 165.000,-- bruto ten laste van [werkgeefster].

1.2. Appellant heeft bij het Uwv een aanvraag om WW-uitkering ingediend. Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat hij sedert augustus 2000 een mini tuincentrum exploiteert. Dit betreft een eenmanszaak zonder personeel. De omzet van dit mini tuincentrum bedroeg in 2003 € 3.000,-- en de winst in dat jaar bedroeg € 200,--. Ook op de werkbriefjes vanaf 1 maart 2004 heeft appellant vermeld dat hij werkzaam is als zelfstandige zonder personeel. Appellant heeft tegenover het Uwv verklaard dat de omvang van deze werkzaamheden te stellen was op gemiddeld vier uur per week.

1.3. Bij besluit van 18 juni 2004 is appellant met ingang van 1 april 2004 een WW-uitkering toegekend op basis van een gemiddeld aantal arbeidsuren van 36 per week. In dat besluit is tevens vermeld dat appellant gedurende vier uur per week werkzaam is als zelfstandige en dat indien hij méér uren gaat werken als zelfstandige deze meeruren in mindering zullen worden gebracht op zijn WW-uitkering.

1.4. Appellant had inmiddels op 28 februari 2004 een “overeenkomst van opdracht” gesloten met [werkgeefster] welke liep van 1 maart 2004 tot 1 maart 2005. Op basis van deze overeenkomst diende appellants eenmanszaak, [naam eenmanszaak] (hierna: [naam eenmanszaak]), als opdrachtnemer gedurende drie dagen per week (totaal 21,6 uur) ten behoeve van [werkgeefster] als opdrachtgever consultancy diensten te verrichten op het gebied van marketing tegen een totaalvergoeding van € 85.800,-- exclusief BTW, te betalen in twaalf maandelijkse termijnen van € 7.150,-- tegen facturering door appellant.

1.5. Voorts is appellant met ingang van 7 september 2004 via zijn eenmanszaak gedurende twee dagen per week (totaal 14,4 uur) gaan werken als zelfstandige zonder personeel bij [de firma H.] te Groningen.

1.6. Bij brief van 25 november 2004 heeft [werkgeefster] appellant meegedeeld dat de “overeenkomst van opdracht” per 1 maart 2005 niet zal worden verlengd omdat geconstateerd is dat steeds minder gebruik wordt gemaakt van zijn diensten. Appellant is meegedeeld dat in de periode van 25 november 2004 tot en met 28 februari 2005 geen invulling meer zal worden gegeven aan de overeenkomst van opdracht maar dat [werkgeefster] gedurende deze periode uit coulance de afgesproken vergoeding aan appellant zal voldoen.

1.7. Bij besluit van 7 januari 2005 is appellant meegedeeld dat hij met ingang van 29 november 2004 niet in aanmerking komt voor een (gedeeltelijk) herleefde WW-uitkering. Volgens het Uwv is appellant niet als beginnende zelfstandige aan te merken en kan hij daarom zijn werknemerschap slechts terugkrijgen indien deze werkzaamheden minder dan zes maanden hebben geduurd. Aangezien de werkzaamheden bij [werkgeefster] op basis van de overeenkomst van opdracht hebben geduurd van 1 maart 2004 tot 29 november 2004, heeft appellant zijn werknemerschap over die 21,6 uren definitief verloren. Daarnaast heeft appellant nog andere werkzaamheden verricht als zelfstandige zonder personeel gedurende 14,4 uur per week. Hierdoor ontstaat per 29 november 2004 geen relevant arbeidsurenverlies.

1.8. Bij het bestreden besluit van 6 april 2005 zijn de bezwaren van appellant tegen het besluit van 7 januari 2005 ongegrond verklaard.

1.9. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 6 april 2005 onder toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard.

1.10. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat hij bij [werkgeefster] dezelfde werkzaamheden verrichtte als voorheen op basis van een arbeidsovereenkomst, zodat geen sprake is van werkzaamheden als zelfstandige maar van een voortgezet werknemerschap. Voorts heeft appellant gesteld dat, indien moet worden aangenomen dat de werkzaamheden bij [werkgeefster] vanaf 1 maart 2004 wel als zelfstandige werden verricht, hij als beginnende zelfstandige moet worden aangemerkt omdat sprake is van geheel andere werkzaamheden dan de werkzaamheden die hij verrichtte in zijn mini tuincentrum. Aangezien appellant zijn werkzaamheden als beginnende zelfstandige bij [werkgeefster] binnen anderhalf jaar na aanvang volledig heeft beëindigd, is hij van mening dat hij de hoedanigheid van werknemer dient te herkrijgen en recht heeft op (herleefde) WW-uitkering over die uren.

2. De Raad overweegt het volgende.

2.1. Ingevolge artikel 20, eerste lid, onder a, van de WW eindigt het recht op uitkering voor zover de werknemer zijn hoedanigheid van werknemer verliest. Artikel 21, eerste lid, van de WW bepaalt dat indien het recht op uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel a, geheel of gedeeltelijk is geëindigd en vervolgens de omstandigheid die tot dat eindigen heeft geleid, heeft opgehouden te bestaan, het recht op uitkering met inachtneming van de in artikel 8 genoemde termijnen herleeft.

2.2. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de WW behoudt een persoon wiens dienstbetrekking is geëindigd de hoedanigheid van werknemer, voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van deze wet niet als werknemer wordt beschouwd. In het tweede lid is bepaald dat een persoon, wiens werknemerschap is geëindigd door het verrichten van werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep, bij beëindiging van die werkzaamheden de hoedanigheid van werknemer herkrijgt, voor zover die beëindiging plaatsvindt binnen een tijdvak van anderhalf jaar nadat die werkzaamheden een aanvang hebben genomen. In het vierde lid is, voorzover hier van belang, bepaald dat onverminderd het tweede lid de persoon na afloop van de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden de hoedanigheid van werknemer herkrijgt, indien deze niet langer hebben geduurd dan zes maanden.

2.3. De Raad dient in de eerste plaats de vraag te beantwoorden of appellant met ingang van 1 april 2004 zijn hoedanigheid van werknemer heeft verloren door zijn werkzaamheden bij zijn ex-werkgever [werkgeefster]. Evenals de rechtbank en het Uwv beantwoordt de Raad die vraag bevestigend. Hij neemt daarbij in aanmerking dat appellant zich met betrekking tot deze werkzaamheden naar buiten toe steeds heeft gepresenteerd als zelfstandige zonder personeel. De Raad wijst tevens op de tussen appellant en [werkgeefster] gesloten ‘overeenkomst van opdracht’ waaruit naar voren komt dat het de uitdrukkelijke bedoeling was dat appellant zijn werkzaamheden bij [werkgeefster] als zelfstandige verrichtte, hetgeen onder meer tot uitdrukking kwam in het overeengekomen tarief inclusief BTW en het feit dat de vergoeding in maandelijkse termijnen op factuurbasis werd voldaan. Daaraan doet niet af dat, zoals appellant heeft gesteld, de werkzaamheden inhoudelijk gelijk waren aan die welke hij voorheen bij [werkgeefster] verrichtte op basis van een arbeidsovereenkomst. Ten slotte wijst de Raad op het feit dat appellant ter zitting heeft verklaard dat hij de Belastingdienst met betrekking tot het belastingjaar 2004 om zelfstandigenaftrek zal verzoeken, voor welke aftrek is vereist dat appellant in dat jaar gedurende tenminste 1225 uur als zelfstandige heeft gewerkt. Gezien de omvang van appellants werkzaamheden in zijn mini tuincentrum (vier uur per week) en bij Hooghoudt (14,4 uur per week vanaf 7 september 2004) moet dat urenaantal mede zijn gebaseerd op zijn werkzaamheden bij [werkgeefster] vanaf 1 maart 2004. De Raad leidt hieruit af dat appellant er ook zelf vanuit gaat dat hij de werkzaamheden bij [werkgeefster] vanaf 1 maart 2004 als zelfstandige heeft verricht.

2.3. De Raad dient vervolgens vraag te beantwoorden of appellant met ingang van 29 november 2004 het werknemerschap heeft herkregen. Voor het antwoord op die vraag is van belang of appellant met betrekking tot de werkzaamheden bij [werkgeefster] per 1 maart 2004 kan worden beschouwd als een beginnende zelfstandige. In dat geval geldt immers, gelet op artikel 8, tweede lid, van de WW, voor herkrijging van het werknemerschap een termijn van anderhalf jaar. Dienaangaande stelt de Raad vast dat appellant reeds vanaf 1 februari 1991 met zijn onderneming [naam eenmanszaak] stond ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en dat appellant sedert augustus 2000 onder deze handelsnaam zijn mini tuincentrum exploiteert. Nu appellant reeds voorafgaande aan het intreden van zijn werkloosheid als zelfstandige werkzaam was kan hij met betrekking tot het nadien gaan verrichten van werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf niet meer als een beginnende zelfstandige worden beschouwd. Aan de omstandigheid dat de inhoud van de werkzaamheden bij [werkgeefster] geheel anders was dan die welke hij voorafgaande aan het intreden van zijn werkloosheid als zelfstandige verrichtte in zijn mini tuincentrum, komt in dit verband geen voor de toepassing van artikel 8 van de WW relevante betekenis toe.

2.4. Nu appellant niet kan worden beschouwd als een beginnende zelfstandige gold voor hem, op grond van artikel 8, vierde lid, van de WW, een herlevingstermijn van zes maanden. Die termijn was op 29 november 2004 verstreken, zodat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat appellant met betrekking tot die uren het werknemerschap niet meer kon herkrijgen. Aangezien appellant op 29 november 2004 daarnaast gedurende 14,4 uur werkzaam was bij Hooghoudt te Groningen, heeft het Uwv terecht geconcludeerd dat er per die datum geen sprake was van een relevant arbeidsurenverlies.

3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten in hoger beroep, voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten in hoger beroep.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en M.A. Hoogeveen en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 april 2006.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x