Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AX1900
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 15-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Uit de volledige heroverweging vloeit voort dat ook op de aanvraag moet worden beslist.
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/19 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant (hierna: Uwv),

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens het Uwv is hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Utrecht onder nummer SBR 04/1506, op 8 december 2004 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Van de zijde van de Kamer van Koophandel Gooi- en Eemland is te kennen gegeven dat niet aan het geding deelgenomen wordt.

Het geding is behandeld ter zitting van 9 november 2005, waar het Uwv is verschenen bij mr. C. van den Berg, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Gedaagde is niet verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW), zoals die luidde ten tijde als hier van belang.

Gedaagde was sinds 1 september 1998 in dienst van de Kamer van Koophandel Gooi- en Eemland (hierna: werkgever) in de functie van beleidsadviseur.
Per 1 juli 2003 is hem eervol ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de door hem beklede functie anders dan op grond van ziekte.
Op 10 juli 2003 heeft gedaagde een uitkering op grond van de WW aangevraagd. Bij besluit van 22 september 2003 heeft het Uwv aangegeven het recht op uitkering nog niet te kunnen vaststellen. Tevens heeft het Uwv besloten gedaagde geen voorschot te verstrekken omdat het vermoeden bestaat dat gedaagde verwijtbaar werkloos is geworden.
Bij het thans bestreden besluit van 22 april 2004 heeft het Uwv de daartegen gerichte bezwaren van gedaagde in zoverre gegrond verklaard dat wel een beslissing kon worden genomen over het recht op een WW-uitkering en heeft het Uwv de uitkering op grond van de artikelen 24, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder a, en 27, eerste lid, van de WW, blijvend geheel geweigerd. Gedaagde heeft daartegen beroep ingesteld.

Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Raad heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak overwogen dat het bestreden besluit niet langer als het resultaat van de heroverweging van het besluit van 22 september 2003 is te beschouwen nu in het bestreden besluit voor het eerst op de aanvraag van gedaagde is beslist, om welke reden het door het Uwv genomen besluit derhalve geen beslissing op bezwaar is, maar een besluit waartegen eerst bezwaar dient te worden gemaakt. De rechtbank heeft het beroep van gedaagde derhalve niet-ontvankelijk verklaard en het beroepschrift ter behandeling als bezwaarschrift doorgezonden aan het Uwv.

In hoger beroep heeft het Uwv gesteld dat bij de beslissing op bezwaar van 22 april 2004 is gehandeld overeenkomstig artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens het Uwv kon bij het bestreden besluit niet worden volstaan met de vaststelling dat ten onrechte geen beslissing was genomen over het recht op WW van gedaagde, maar diende op grond van de WW en de Awb daarbij tevens te worden beslist omtrent het recht op WW-uitkering van gedaagde, met inbegrip van het opleggen van een maatregel op basis van de artikelen 24 en 27 van de WW. Aangezien het Uwv in het bezit was gekomen van alle documenten betreffende het ontslag van gedaagde was het Uwv in staat een zorgvuldige beslissing te nemen op de ingediende bezwaren. Het Uwv heeft in dat verband er nog op gewezen dat artikel 31, derde lid, van de WW geen betrekking heeft op een ambtelijk ontslagbesluit, zodat de weigering om een voorschot te verstrekken niet op die bepaling kan zijn gegrond.

De Raad overweegt als volgt.

Artikel 7:11 van de Awb bepaalt dat, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag van het bezwaar een heroverweging van het bestreden besluit plaatsvindt. In het voorliggende geval betekent dit dat het Uwv, gelet op het feit dat in bezwaar is aangevoerd dat ten onrechte toepassing is gegeven aan artikel 31, derde lid, van de WW, zich omtrent de juistheid van dat bezwaar een oordeel heeft moeten vormen. De Raad is met het Uwv van oordeel dat bij het besluit van 22 september 2003 ten onrechte toepassing is gegeven aan voormeld artikel nu de in dat artikelonderdeel genoemde voorwaarden zich in casu niet voordeden. De bezwaren van gedaagde tegen het besluit troffen derhalve doel, zodat het Uwv dat besluit diende te herroepen. Ter zake van die herroeping kon het Uwv zich niet beperken tot een enkele gegrondverklaring van de bezwaren, omdat immers uit het vereiste van een volledige heroverweging, zoals dat is neergelegd in artikel 7:11 van de Awb, voortvloeit dat niet alleen wordt beslist op hetgeen in bezwaar is aangevoerd, maar dat tevens inhoudelijk wordt beslist op de aanvraag om een WW-uitkering en de eventueel daarop toe te passen maatregelen. De Raad komt dan ook tot het oordeel dat het Uwv, aldus handelend, in overeenstemming met artikel 7:11 van de Awb heeft beslist. De Raad is derhalve, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het bestreden besluit onder deze omstandigheden als het resultaat van de heroverweging van het besluit van 22 december 2003 is aan te merken, zodat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard en het beroepschrift ten onrechte ter behandeling als bezwaarschrift aan het Uwv heeft doorgezonden.

Het hoger beroep slaagt derhalve. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Gelet op artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beroepswet wijst de Raad de zaak ter behandeling terug naar de rechtbank.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende. Nu de rechtbank zich omtrent de inhoudelijke aspecten van de zaak nog dient uit te spreken, ziet de Raad aanleiding het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb voorwaardelijk - voor het geval het bestreden besluit niet in stand kan blijven - te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak terug naar de rechtbank Utrecht.

Aldus gewezen door mr. H. Bolt als voorzitter en mr. H.G. Rottier en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van S. l’Ami als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2006.  

(get.) H. Bolt.

De griffier is verhinderd om de uitspraak te tekenen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x