Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AX3051
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Maatregel. Betrokkene heeft in onvoldoende mate getracht passende arbeid te verkrijgen.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/6422 WW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 22 september 2005, 05/1826 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. K.M. van der Zouwen, advocaat te Oosterhout, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2006. Partijen zijn -appellant en diens gemachtigde met bericht vooraf- niet verschenen.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, als vaststaande aangenomen, gegevens.

2.1. Aan appellant is met ingang van 11 oktober 2004 een WW-uitkering toegekend, welke uitkering met ingang van 11 oktober 2004 is gekort met 20% gedurende 16 weken op de grond dat appellant zich niet had gehouden aan de verplichting, neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW. Deze verplichting houdt in dat de werknemer voorkomt dat hij werkloos is of blijft, doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verwerven.

2.2. Op het werkbriefje, dat betrekking had op de periode van 25 oktober tot en met 21 november 2004, heeft appellant één sollicitatie vermeld. Desgevraagd heeft appellant, op de vraag welke sollicitatieactiviteiten hij nog heeft verricht naast de door hem opgegeven sollicitatie, op 2 januari 2005 verklaard dat hij niet meer weet waar hij heeft gesolliciteerd. Bij besluit van 2 februari 2005 heeft het Uwv met ingang van 22 november 2004 opnieuw een maatregel opgelegd, en wel, omdat het de tweede maal is dat dezelfde verplichting niet is nagekomen, een korting van 30% gedurende 16 weken. Gelet op artikel 10 van het Maatregelenbesluit Tica wordt de WW-uitkering van appellant, omdat deze reeds met ingang van 11 oktober 2004 werd gekort met 20% gedurende 16 weken, met ingang van 22 november 2004 gekort met 30% gedurende 22 weken en 4 dagen.

2.3. Bij besluit van 21 april 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 februari 2005 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat appellant in de in geding zijnde periode van 25 oktober tot en met 21 november 2004 wel voldoende, te weten ten minste vier concrete en verifieerbare sollicitatieactiviteiten per beoordelingsperiode van vier weken, sollicitatieactiviteiten heeft verricht, alsmede dat niet is gebleken van dusdanige omstandigheden dat deze maatregel niet aan appellant zou kunnen worden opgelegd.

3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat vaststaat dat appellant in de periode van 25 oktober tot en met 21 november 2004 niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting om in voldoende mate te trachten passende arbeid te verkrijgen. Met betrekking tot hetgeen appellant heeft aangevoerd, heeft zij overwogen dat appellants stellingen dat hij vaker heeft gesolliciteerd dan de ene sollicitatie die door hem op het werkbriefje is vermeld maar dat hij niet meer weet waar hij (telefonisch) heeft gesolliciteerd en dat het feit dat hij in andere periodes wel voldoende sollicitatieactiviteiten heeft verricht aannemelijk maakt dat dat ook in de hier in geding zijnde periode het geval is geweest, geen doel treffen omdat daarmee niet is voldaan aan de door het Uwv aan de verplichting gegeven invulling, te weten dat er ten minste vier concrete en verifieerbare sollicitatieactiviteiten dienen te worden verricht in een beoordelingsperiode van vier weken. Voorts heeft de rechtbank in de door appellant aangevoerde omstandigheden geen grond gezien om aan te nemen dat het Uwv van het opleggen van de maatregel had moeten afzien, dan wel de maatregel had moeten matigen.

4. In hoger beroep heeft appellant dezelfde grieven naar voren gebracht die hij voor de rechtbank had aangevoerd. Ook heeft hij zich op het standpunt gesteld dat hij vaak telefonisch sollicitaties verricht en dat aan telefonische sollicitaties niet de eis kan worden gesteld dat deze verifieerbaar moeten zijn.

5. Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit.

5.1. De Raad onderschrijft het oordeel dat de rechtbank over het bestreden besluit heeft gegeven. Appellant heeft in hoger beroep in wezen geen andere grieven aangevoerd dan hij in eerste aanleg heeft gedaan. De Raad onderschrijft de overwegingen, op grond waarvan de rechtbank tot haar oordeel is gekomen, volledig en verwijst derhalve naar die overwegingen. Voorts merkt de Raad nog op dat hij reeds diverse malen heeft geoordeeld dat het niet in strijd is met een juiste uitleg van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW dat het Uwv van een werkloze werknemer verlangt dat deze in beginsel ten minste vier concrete en verifieerbare sollicitatieactiviteiten per beoordelingsperiode van vier weken verricht. Ook telefonische sollicitaties kunnen verifieerbaar zijn, bijvoorbeeld door aantekening te houden van de datum waarop is getelefoneerd, met wie is getelefoneerd en ten aanzien van welke vacature.

5.2. Het hoger beroep van appellant treft derhalve geen doel zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2006.

(get.) H. Bolt.

(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x