Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AX3060
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid. Betrokkene heeft zelf ontslag genomen.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/3092 WW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen van 7 april 2005, 04/672 en 05/291 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. E.H. Jansen, werkzaam bij Rechtshulp Noord te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jansen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. D. Krijgsman, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Appellant is op 21 april 1999 in dienst getreden van de Stichting Opmaat, gevestigd te Groningen (hierna: de werkgever) als salarisadministrateur. Uit dit dienstverband voor onbepaalde tijd heeft hij per 1 januari 2004 ontslag genomen, omdat naar hij op het formulier voor het aanvragen van WW-uitkering heeft vermeld, hij een meningsverschil had met de werkgever en zekerheid had over een nieuwe baan per 15 februari 2004, welke baan niet is doorgegaan.

2.2. Naar aanleiding van voormelde mededeling van appellant heeft het Uwv bij besluit van 27 april 2004 aan appellant bericht, dat hem geen WW-uitkering wordt toegekend omdat hij ontslag heeft genomen en derhalve verwijtbaar werkloos wordt geacht.

2.3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Daarbij heeft hij aangegeven, dat hij steeds met veel genoegen voor de werkgever heeft gewerkt totdat medio 2003 werd besloten tot een fusie met een grote zorginstelling. Niet alleen zou de werkdruk daardoor voor hem gaan toenemen - hij moest nu de administratie verzorgen voor 2500 in plaats van 500 personen -, maar er bleek ook een groot verschil van inzicht te bestaan tussen hem en (de directie van) de nieuwe hoofdvestiging omtrent de wijze waarop de variabele beloningen moesten worden verwerkt in de salarisadministratie. Bij dit conflict voelde hij zich in het geheel niet gesteund door de (toenmalige) directie (van de werkgever). Nadat hij contact had gezocht met de LVOW te Nijmegen (een organisatie die bemiddelde voor administratief thuiswerk, hierna: LVOW) en van deze organisatie de toezegging had gekregen dat er medio februari 2004 voldoende werk voor hem zou zijn, heeft hij ontslag genomen. Met betrekking tot deze toezegging heeft appellant verwezen naar een brief van 15 november 2003 van voornoemde organisatie. Toen hij zich echter begin 2004 tot de LVOW wendde, bleek dat men geen werk voor hem had.

2.5. Bij besluit van 14 juni 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat er geen dringende of zwaarwegende redenen ten grondslag lagen aan het besluit van appellant om ontslag te nemen, terwijl er omtrent het werk bij de LVOW onvoldoende zekerheid bestond.

2.6. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en tevens terzake om het treffen van een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft de voorzieningenrechter na toepassing te hebben gegeven aan artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - kort weergegeven - geoordeeld, dat appellant, toen hij ontslag nam uit een dienstverband voor onbepaalde tijd, te lichtvaardig heeft gedacht dat hij via de LVOW werk zou krijgen. Van enige garantie van de zijde van de LVOW is niet gebleken en ook de door appellant in het geding gebrachte brief van 15 november 2003 van de LVOW bevat niets dat op een deugdelijke toezegging of garantie lijkt. Het Uwv is volgens de rechtbank dan ook op goede gronden tot de conclusie gekomen dat sprake is van verwijtbare werkloosheid.

3. Appellant heeft in hoger beroep benadrukt dat er, gelet op de in bezwaar aangegeven omstandigheden, sprake was van een situatie waarin de voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Ter ondersteuning daarvan heeft appellant gewezen op een brief van 4 mei 2005 van F.J.M. van der Linden, werkzaam als manager bij de werkgever, waarin deze onder andere de beweegredenen van appellant schetst om ontslag te nemen.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. De Raad gaat er -gelet op de namens het Uwv ter zitting gegeven toelichting terzake- van uit dat het Uwv heeft beoogd om artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW aan het bestreden besluit ten grondslag te leggen. De tekst van het bestreden besluit is - hoewel een meer heldere redactie de voorkeur zou hebben verdiend - daarmee niet in strijd.
Hetgeen appellant als reden voor het nemen van ontslag heeft aangevoerd is niet zodanig zwaarwegend, dat er van een (acute) noodzaak kan worden gesproken om het dienstverband te beŽindigen. De in hoger beroep overgelegde brief van 4 mei 2005 bevestigt slechts, dat appellant - wellicht begrijpelijk - problemen had met de veranderingen in zijn werk die het gevolg zouden zijn van de fusie, maar tevens dat deze niet zodanig waren dat voortzetting van het dienstverband niet van hem zou kunnen worden gevergd. Het is de Raad overigens ook niet gebleken, dat appellant serieus heeft gepoogd om via overleg met zijn leidinggevenden tot een oplossing te komen. Met het Uwv en de rechtbank is de Raad van oordeel, dat omtrent het verkrijgen van werk via de LVOW niet een zodanige mate van zekerheid bestond dat dit het nemen van ontslag zou kunnen rechtvaardigen.

5.1. Het voorgaande betekent, dat het Uwv met recht heeft geoordeeld dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Van omstandigheden die zouden kunnen duiden op verminderde verwijtbaarheid is de Raad niet gebleken.

5.2. De aangevallen uitspraak komt dan ook, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb omtrent de vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2006.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) P. Boer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x