Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AX3751
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WW-uitkering. BeŽindiging uitzendovereenkomst. Verwijtbare werkloosheid: betrokkene heeft door eigen toedoen geen werk behouden.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/2356 WW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 30 maart 2005, 04/2513 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 8 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.J. Klinkert, advocaat te Utrecht, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2006. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. R.A. Severijn, kantoorgenoot van mr. Klinkert, voornoemd. Appellant heeft kort voor de aanvang van de zitting laten weten niet te verschijnen.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden die door partijen niet worden betwist en ook voor de Raad het uitgangspunt vormen bij zijn oordeelsvorming.

2.2. Bij besluit van 19 mei 2004 heeft appellant, naar aanleiding van de aanvraag van betrokkene om uitkering ingevolge de WW, de uitkering blijvend geheel geweigerd op de grond dat betrokkene verwijtbaar werkloos is geworden omdat hij zelf ontslag heeft genomen. Naar aanleiding van het bezwaarschrift van betrokkene heeft appellant nadere informatie ingewonnen bij onder meer [de werkgever] (hierna: de werkgever) en de inlenend werkgever [inlener] (hierna: de inlener). Bij besluit op bezwaar van 17 september 2004 heeft appellant zijn in het besluit van 19 mei 2004 neergelegde standpunt in zoverre gewijzigd dat betrokkene thans verwijtbaar werkloos wordt geacht doordat hij door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden.

3. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit op bezwaar van 17 september 2004 gegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij doorslaggevende betekenis gehecht aan de ter zitting door betrokkene afgelegde verklaring omtrent de gang van zaken en heeft voorts overwogen dat appellant er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat betrokkene door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden. De stelling van appellant dat betrokkene het werkaanbod van de inlener had moeten accepteren en ondertussen op zoek had moeten gaan naar een vaste baan, past naar het oordeel van de rechtbank niet binnen de open arbeidsverhouding, zoals die geldt tussen inlener en uitzendkracht. Het antwoord op de vraag of de verklaringen van betrokkene gedurende de procedure als consistent kunnen worden aangemerkt, wordt door de rechtbank expliciet daargelaten en de conclusie van appellant, dat aan de verklaringen van de werkgever en de inlener meer waarde zou toekomen, wordt niet onderschreven vanwege de innerlijke tegenstrijdigheden in die verklaringen.

4.1. Appellant kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen. Appellant stelt dat van de zijde van de werkgever en de inlener niet is aangegeven dat betrokkene niet geschikt zou zijn voor het werk bij de inlener. Wel is door hen verklaard, zo geeft appellant aan, dat het werk betrokkene niet beviel, hetgeen door betrokkene aanvankelijk ook is erkend. Voor de gehanteerde afwijzingsgrond is het volgens appellant niet van belang of sprake is van de situatie waarin betrokkene zelf is opgestapt dan wel of sprake is van de situatie waarin de inlener het initiatief tot beŽindiging heeft genomen.

4.2. Betrokkene heeft in hoger beroep herhaald dat de beŽindiging van de uitzendovereenkomst, als reactie op betrokkenes mededeling te zullen blijven solliciteren naar een vaste aanstelling, aan de inlener is te wijten. Betrokkene blijft van mening dat hij redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien dat deze mededeling tot beŽindiging van de uitzendovereenkomst zou leiden.

5. De Raad overweegt hieromtrent als volgt.

5.1. In artikel 24, eerste lid, onder b, ten derde, van de WW, is bepaald dat de werknemer voorkomt dat hij werkloos is of blijft doordat hij door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt.

5.2. Het onweersproken gegeven dat betrokkene bij de inlener in een passende baan werkzaam kon blijven, weliswaar in uitzendbetrekking doch in beginsel voor langere duur, maakt naar het oordeel van de Raad dat van betrokkene, in het kader van de toepassing van de WW, verlangd had kunnen worden dat hij op dit aanbod was ingegaan, ondanks de bij betrokkene bestaande verwachting dat hem een contract voor onbepaalde tijd zou worden geboden.

5.3. De Raad heeft hierbij mee laten wegen dat uit de diverse verklaringen, zowel die van betrokkene zelf als die van de zijde van de inlener en de werkgever, naar voren is gekomen dat het werk bij de inlener betrokkene niet beviel. Dit gegeven is door de inlener na een aantal dagen zodanig uitgelegd dat betrokkene daar niet op zijn plaats was en vormde voor de inlener aanleiding de inleenovereenkomst met betrokkene per direct te willen beŽindigen. Op uitdrukkelijk verzoek van betrokkene is overeengekomen dat de overeenkomst nog een week zou worden voortgezet. Onder deze omstandigheden had betrokkene zich dienen te realiseren dat zijn opstelling tijdens het gesprek waarin hem te kennen werd gegeven dat hij, zij het op uitzendbasis, toch voor langere duur kon blijven risicovol was, in die zin dat het op dat moment aandringen op een vaste aanstelling en aangeven dat hij zou blijven solliciteren om een vaste aanstelling te verwerven door de inlener niet zou worden geaccepteerd. Betrokkene heeft met deze opstelling, zo is de Raad van oordeel, het - vanuit het oogpunt van de toepassing van de WW niet te aanvaarden - risico genomen dat de inlener de inleenovereenkomst niet zou willen voortzetten, welk risico vervolgens is ingetreden.

5.4. In hetgeen namens betrokkene in hoger beroep in verweer is aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat bij betrokkene sprake is van een verminderde mate van verwijtbaarheid, zodat moet worden geoordeeld dat het Uwv de uitkering terecht blijvend geheel heeft geweigerd.

5.5. Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en het beroep ongegrond moet worden verklaard.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2006.

(get.) H. Bolt.

(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x