Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AX3866
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-04-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WW-uitkering. Cyclisch arbeidspatroon. Overwegingen ten aanzien van het nieuw te nemen besluit.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/2064 WW en 05/6547 WW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 9 maart 2004, 03-1556 WW (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 19 april 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Desgevraagd heeft appellant de Raad nadere informatie verstrekt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2005. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Knufman, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Betrokkene is verschenen.

Na de zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten om het onderzoek te heropenen.

Appellant heeft nadere stukken in het geding gebracht waaronder een nieuwe beslissing op bezwaar gedateerd 4 november 2005.

Een nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2005. Appellant, daartoe ambtshalve opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Knufman, voornoemd. Betrokkene is niet verschenen.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

1.1. Betrokkene heeft op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 4 februari 2002 tot en met 3 november 2002 gewerkt als cabin attendant bij Transavia airlines C.V. (Transavia). In de periode van 4 november 2002 tot en met 31 januari 2003 heeft zij als uitzendkracht gewerkt. In december 2002 is zij op vakantie geweest Zij heeft met ingang van 1 februari 2003 een WW-uitkering aangevraagd. Op het aanvraagformulier heeft zij vermeld dat zij bij Transavia werkte op basis van een seizoencontract en dat zij daar eind april 2003 weer kon beginnen. Van 23 april 2003 tot en met 9 november 2003 heeft betrokkene wederom op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gewerkt in voormelde functie bij genoemde werkgever.

1.2. Bij besluit van 3 maart 2003 heeft appellant aan betrokkene het recht op WW-uitkering met ingang van 1 februari 2003 ontzegd, omdat zij werkzaam is in een cyclisch arbeidspatroon en er geen sprake is van seizoenarbeid. Bij besluit van 12 augustus 2003 heeft appellant dit besluit, na bezwaar, gehandhaafd bij de aangevallen uitspraak.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, en bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar neemt. De rechtbank constateert dat niet meer in geschil is dat er geen sprake is van seizoenmatige arbeid en zij is van oordeel dat appellant op goede gronden heeft aangenomen dat het arbeidsurenverlies van betrokkene dient te worden bepaald met toepassing van artikel 4b van de Regeling gelijkstelling niet gewerkte uren (de Regeling). De rechtbank is echter van oordeel dat appellant het arbeidsurenverlies niet in overeenstemming met in dit artikel vermelde berekeningsmethode heeft vastgesteld. Voorts is de rechtbank van oordeel dat appellant ten onrechte geen rekening heeft gehouden met betrokkenes werk voor het uitzendbureau.

4. In hoger beroep heeft appellant het oordeel van de rechtbank bestreden. Appellant stelt zich op het standpunt dat betrokkene cyclische arbeid heeft verricht, dat bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van cyclische arbeid rekening is gehouden met het verschil in de duur van de arbeidsovereenkomsten met Transavia en dat het uitzendwerk de cyclus niet heeft doorbroken.

5. Betrokkene stelt zich op het standpunt dat zij ten tijde in geding niet werkzaam was in een cyclisch arbeidspatroon bij Transavia en dat appellant ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door haar in aansluiting op haar werk bij Transavia verrichte werkzaamheden als uitzendkracht.

6. De Raad overweegt het volgende.

6.1. In het besluit van 4 november 2005 heeft appellant opnieuw op de bezwaren van betrokkene beslist. Daarbij zijn die bezwaren wederom ongegrond verklaard waarbij de motivering van het besluit van 12 augustus 2003 op een wezenlijk punt is gewijzigd. Nu appellant met het nadere besluit van 4 november 2005 niet geheel aan de bezwaren van betrokkene is tegemoet gekomen, wordt het beroep van betrokkene tegen het besluit op bezwaar van 12 augustus 2003 op de voet van de artikelen 6:18 en 6:19 in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede gericht te zijn tegen het besluit van 4 november 2005 (het bestreden besluit). De Raad zal het geschil tussen appellant en betrokkene beoordelen in het kader van het bestreden besluit, zodat geen belang meer bestaat bij de beoordeling van de aangevallen uitspraak met betrekking tot appellants besluit van 12 augustus 2002 en appellant niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn hoger beroep.

6.2. Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW is voor het ontstaan van werkloosheid vereist dat de werknemer ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren. In het tweede lid van dit artikel is voorgeschreven hoe het verlies van arbeidsuren dient te worden berekend. Ingevolge artikel 16, zevende lid, aanhef en onder b, van de WW kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld voor de berekening van het verlies van arbeidsuren met betrekking tot wisselende arbeidspatronen. Aan die bepaling is uitvoering gegeven in de Regeling. Ingevolge 4b, eerste lid, van de Regeling worden voor de beoordeling van het arbeidsurenverlies van de werknemer die in een wisselend arbeidspatroon met een cyclus werkzaam is of is geweest dan wel aansluitend aan het intreden van de werkloosheid in een wisselend arbeidspatroon gaat werken, de kalenderweken waarover de cyclus van het arbeidspatroon zich uitstrekt in aanmerking genomen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel wordt onder een cyclus verstaan de periode van maximaal 65 kalenderweken die wordt doorlopen tot het wisselende arbeidspatroon zich herhaalt. De toelichting bij artikel 4b van de Regeling vermeldt dat het arbeidspatroon geen exacte herhaling hoeft te laten zien, maar de arbeidsperioden dienen wel eenduidig te zijn en niet wezenlijk te verschillen.

6.3. Of een arbeidspatroon zich herhaalt stelt appellant vast aan de hand van een door hem aan zijn interne beleid ontleende vergelijking van de periode van werken bij een bepaalde werkgever en niet werken ten opzichte van de daaraan voorafgaande arbeidsperiode bij diezelfde werkgever. Wijken die perioden in aantal weken niet meer dan 20% van elkaar af dan acht appellant een cyclus aanwezig als bedoeld in artikel 4b, tweede lid, van het Besluit. De periode waarover het arbeidspatroon van betrokkene zich uitstrekt loopt van 4 februari 2002 tot en met 22 april 2003. Dit is 63 weken en twee dagen; 20% daarvan is 12,6 weken. De eerste periode van werken begint op 4 februari 2002, de tweede periode begint op 23 april 2003. Dit is een verschil van 11 weken en een dag. De eerste periode eindigt op 3 november 2002, de tweede op 9 november 2003. Dit is een verschil van 5 dagen. Het verschil bedraagt derhalve in het totaal 11 weken en 6 dagen. Dit is minder dan 20% verschil dus is in betrokkenes geval sprake van cyclische arbeid, aldus appellant.

6.4. De Raad acht het ter vergelijking van de arbeidspatronen hanteren van de beoordelingsnorm van 20% in strijd met een redelijke interpretatie van artikel 4b, tweede lid, van de Regeling. Weliswaar gaat de regelgever er blijkens de bedoelde toelichting vanuit dat de arbeidspatronen niet een precies gelijke omvang behoeven te hebben om te kunnen spreken van een zich herhalend arbeidspatroon, maar een verschil in omvang van arbeidspatronen dat mag oplopen tot 20% acht de Raad de grenzen te buiten gaan van hetgeen de regelgever bij het in het leven roepen van deze bepaling voor ogen heeft gestaan. Getuige het gebruik van termen “geen exacte herhaling” van de arbeidspatronen en “niet wezenlijk verschillen” in de bedoelde toelichting heeft de regelgever kennelijk voor ogen gestaan dat, indien zich verschillen in arbeidspatronen voordoen, er toch gesproken moet worden van herhaling van het arbeidspatroon indien die verschillen in van een betrekkelijk geringe omvang zijn. Bij het hanteren van een marge van 20% kan echter naar het oordeel van de Raad in redelijkheid niet meer worden gesproken van verschillen van een betrekkelijk geringe omvang. Het hanteren van een marge van in de orde van grootte van 5% zou naar het oordeel van de Raad nog wel in overeenstemming kunnen worden geacht met de kennelijke bedoeling van de regelgever.

6.5. Het in 6.4. overwogene betekent dat het bestreden besluit genomen is in strijd met artikel 4b, tweede lid, van de Regeling, op grond waarvan dit besluit voor vernietiging in aanmerking komt. De overige in hoger beroep nog door betrokkene aangevoerde argumenten behoeven geen bespreking meer.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 4 november 2005 gegrond;
Vernietigt het besluit van 4 november 2005;
Bepaalt dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Bepaalt dat van appellant een recht van € 422,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. l’Ami als griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 april 2006.

(get.) T. Hoogenboom.

De griffier is verhinderd om de uitspraak te tekenen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x