Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AX6493
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Heeft betrokkene terecht geen recht op WW-uitkering omdat niet is voldaan aan de referte-eis?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/2161 WW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 28 februari 2005, 04/1263 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.B. Knollema, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende, als vaststaande aangenomen, gegevens.

2.1. Appellant is op 1 april 2001 als administrateur in dienst getreden van de rechtsvoorganger van Ordina Public SDS B.V., gevestigd te Zeist (hierna: de werkgever). Op 26 november 2002 heeft appellant zich ziek gemeld met psychische klachten. Van 11 maart 2003 tot 8 augustus 2003 heeft appellant in Senegal bij familie verbleven.

2.2. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst van appellant met de werkgever met ingang van 26 juni 2003 ontbonden.

2.3. Appellant heeft, na terugkeer in Nederland en na kennis te hebben gekregen van de ontbinding door de kantonrechter van zijn arbeidsovereenkomst met de werkgever, een uitkering ingevolge de WW aangevraagd op 10 september 2003. Het Uwv heeft bij besluit van 13 oktober 2003 aan appellant meegedeeld dat hij geen recht heeft op een WW-uitkering aangezien niet wordt voldaan aan de zogeheten referte-eis, neergelegd in artikel 17 van de WW, omdat hij in de referteperiode minder dan 26 weken als werknemer arbeid heeft verricht.

2.4. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 oktober 2003 heeft het Uwv bij besluit van 26 maart 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij overwogen dat de referteperiode met toepassing van artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW kan worden uitgebreid (voorverlengd) met de periode van 26 november 2002 tot 11 maart 2003, maar niet met de periode van 11 maart 2003 tot 26 juni 2003, omdat het Uwv van oordeel is dat de omstandigheid dat appellant niet kon werken in deze laatste periode niet uitsluitend door diens ziekte is veroorzaakt maar mede door diens verblijf in Senegal. De (voorverlengde) referteperiode loopt dan van 25 juni 2003 tot en met 20 juni 2002, maar in die periode heeft appellant niet in ten minste 26 weken als werknemer arbeid verricht.

3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe onder meer overwogen dat artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW, gelet op de jurisprudentie van de Raad, restrictief dient te worden uitgelegd, hetgeen wil zeggen dat bij de berekening van de referteperiode van 39 weken slechts die perioden buiten aanmerking worden gelaten waarin de werknemer niet heeft kunnen werken uitsluitend als gevolg van ziekte of arbeidsongeschiktheid. Naar haar oordeel heeft het Uwv derhalve terecht de referteperiode slechts voorverlengd met de periode dat appellant in Nederland verbleef en wegens arbeidsongeschiktheid geen arbeid kon verrichten, te weten de periode van 26 november 2002 tot 11 maart 2003.

4.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de referteperiode in zijn geval ook dient te worden voorverlengd met de periode gedurende welke hij in Senegal heeft verbleven omdat hij naar Senegal is gegaan ten behoeve van zijn herstel, zodat het verblijf in Senegal een afgeleide is van zijn arbeidsongeschiktheid in die zin dat er zonder ziekte ook geen verblijf in het buitenland zou zijn geweest.

4.2. Het Uwv heeft zich in verweer gesteld achter het oordeel van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraak. Hij heeft voorts opgemerkt geen aanleiding te zien om het in het bestreden besluit neergelegde standpunt niet langer te handhaven.

5. Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit.

5.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat, zoals hij reeds eerder als zijn standpunt te kennen heeft gegeven -bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 31 december 1996, LJN ZB6577, RSV 1997/104-, het bepaalde in artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW restrictief dient te worden uitgelegd omdat het daarbij gaat om een uitzondering op de in artikel 17 van de WW neergelegde hoofdregel dat de referteperiode 39 weken bevat. De door het Uwv gehanteerde restrictieve uitleg, in die zin dat voor het vaststellen van de referteperiode van 39 weken alleen die perioden buiten aanmerking worden gelaten waarin de werknemer niet heeft kunnen werken uitsluitend wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid, acht de Raad niet in strijd met de bedoeling van de wetgever, en hij kan zich achter deze uitleg stellen.

5.2. Ook de Raad is van oordeel dat met betrekking tot de periode gedurende welke appellant in verband met zijn herstelproces in Senegal heeft verbleven, moet worden gesteld dat appellants arbeidsongeschiktheid niet de enige reden vormde dat hij geen arbeid als werknemer kon verrichten, maar dat diens verblijf in Senegal daarvoor mede de reden vormde. De Raad kan zich niet stellen achter de opvatting van appellant dat zijn verblijf in Senegal niet als zelfstandige reden kan worden gezien omdat hij slechts in Senegal heeft verbleven ten behoeve van zijn herstel, zodat het toch de arbeidsongeschiktheid van hem was die uiteindelijk de reden vormde dat hij geen arbeid als werknemer heeft kunnen verrichten. Naar het oordeel van de Raad is het verblijf van appellant in Senegal wel als een zelfstandige reden aan te merken waarom appellant in de desbetreffende periode geen arbeid als werknemer heeft kunnen verrichten.

5.3. Het hoger beroep van appellant treft derhalve geen doel, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2006.

(get.) H. Bolt.

(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfhenning.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x