Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AX6744
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Afwijzing aanvraag voor WW-uitkering. Was betrokkene werkzaam als zelfstandige?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/4515 WW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 juni 2005, 03/1602 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Buren, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop rustende bepalingen zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Appellant heeft zich met ingang van 13 juli 1998 als eenmanszaak laten inschrijven bij de Kamer van Koophandel onder de naam [naam Concultancy] en is vanaf die datum werkzaamheden als zelfstandige gaan uitoefenen bestaande uit het detacheren van ťťn werknemer. Per 1 november 2000 is de enige werknemer van appellant uit dienst getreden. Voorts heeft appellant in de periode van 7 december 1998 tot 1 oktober 2000 werkzaamheden in loondienst verricht. In aansluiting hierop heeft hij tot februari 2001 ziekengeld ontvangen. Gedurende de periode van 1 februari 2001 tot en met 31 mei 2002 heeft appellant via [naam Concultancy] werkzaamheden als zelfstandige verricht als interim-manager voor [naam VOF]. Per 14 november 2002 is [naam Concultancy] uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel.

Appellant heeft op 31 oktober 2002 met terugwerkende kracht tot 2 juni 2002 een uitkering ingevolge de WW aangevraagd. Bij besluit van 2 december 2002 is hem medegedeeld dat hij geen recht heeft op een uitkering ingevolge de WW, aangezien hij laatstelijk werkzaamheden heeft verricht als zelfstandige en derhalve geen werknemer is in de zin van de WW. Tevens is vermeld dat appellant de status van werknemer niet kan herkrijgen omdat hij langer dan anderhalf jaar geleden als zelfstandige is begonnen.
Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 4 maart 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat appellant zijn werkzaamheden als zelfstandige op 13 juli 1998 is gestart en dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat hij zijn activiteiten voor zijn eenmanszaak volledig heeft gestaakt na het ontslag van zijn werknemer per 1 november 2000. De enkele omstandigheid dat appellant in de periode daaropvolgend een uitkering ingevolge de Ziektewet heeft genoten is volgens de rechtbank onvoldoende om te kunnen concluderen dat appellant geen werkzaamheden meer voor zijn onderneming zou hebben verricht. Daarbij acht de rechtbank van belang dat appellant met [naam VOF] een opdracht is aangegaan en daarvoor [naam Concultancy] heeft gebruikt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een voortzetting van de onderneming en dat appellant niet op grond van artikel 8, tweede lid, van de WW, de hoedanigheid van werknemer heeft herkregen.

Appellant kan zich met dit oordeel van de rechtbank niet verenigen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij per 1 februari 2001 als startende ondernemer dient te worden aangemerkt omdat hij sinds het ontslag van zijn enige werknemer per 1 november 2000 geen activiteiten meer heeft ontplooid en hij [naam Concultancy] slechts heeft gebruikt om er een nieuwe activiteit, te weten interim-management, in onder te brengen.

De Raad kan appellant niet volgen in zijn betoog. Ingevolge artikel 3 van de WW is werknemer in de zin van de WW de natuurlijke persoon, jonger dan 65 jaar, die in privaatrechtelijke dienstbetrekking staat. Artikel 8, eerste lid, van de WW, bepaalt dat een persoon wiens dienstbetrekking is beŽindigd, de hoedanigheid van werknemer behoudt, voorzover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van de WW niet als werknemer wordt beschouwd. Dit laatste is nu juist in de situatie van appellant wel het geval. De Raad is van oordeel dat uit de stukken genoegzaam blijkt van werkzaamheden van appellant als zelfstandig ondernemer met ingang van 13 juli 1998. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de WW kan een werknemer die werkzaamheden heeft verricht in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep het werknemerschap herkrijgen, indien die werkzaamheden zijn beŽindigd binnen anderhalf jaar nadat zij een aanvang hebben genomen. Met de rechtbank en op de door haar gebezigde gronden is de Raad van oordeel dat voldoende vaststaat dat de werkzaamheden waardoor appellant zijn hoedanigheid van werknemer in de zin van de WW heeft verloren, langer hebben geduurd dan anderhalf jaar. Anders dan appellant heeft betoogd, is naar het oordeel van de Raad niet komen vast te staan dat appellant zijn werkzaamheden als zelfstandige van 1 november 2000 volledig heeft beŽindigd. Derhalve heeft appellant op grond van artikel 8, tweede lid, van de WW niet zijn werknemerschap herkregen.

Hieruit volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. KovŠcs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2006.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) A. KovŠcs.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x