Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AX8489
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Een voorschotnota is geen besluit betreffende de sectorindeling. Het bezwaar voor zover dat betrekking heeft op de indeling had niet-ontvankelijk moeten verklaard worden.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/6374 WW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 19 september 2005, 04/1355 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 8 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2006. Het Uwv heeft zich, daartoe ambtshalve opgeroepen, laten vertegenwoordigen door C. Groenewegen, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Betrokkene, eveneens ambtshalve opgeroepen bij gemachtigde, heeft zich met voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


Betrokkene is ingedeeld in de sector Uitzendbedrijven. Een verzoek van betrokkene om indeling in een andere sector heeft appellant bij besluit van 30 januari 2003 afgewezen. Het bezwaar hiertegen is bij besluit van 1 mei 2003 ongegrond verklaard. Daarin heeft betrokkene berust. Op 2 januari 2004 heeft appellant aan betrokkene een voorschotnota opgelegd. In het bezwaarschrift van 19 januari 2004 tegen deze nota heeft betrokkene aangegeven bezwaar te maken tegen de nota en tegen de daaraan ten grondslag liggende veronderstelling dat betrokkene in sector 26 zou moeten worden ingedeeld en/of vanwege haar hoedanigheid van uitzendbureau enigerlei wachtgeldpremie verschuldigd zou zijn. Appellant heeft op 18 februari 2004 de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd en betrokkene verzocht te reageren op het voornemen om het bezwaar tegen de indeling niet in behandeling te nemen. In de reactie van betrokkene van 16 maart 2004 heeft appellant vervolgens aanleiding gevonden om het bezwaar voorzover het betrekking heeft op de indeling door te zenden naar de afdeling werkgeverszaken ter behandeling als een verzoek om wijziging van de indeling. Op dit verzoek is nog niet beslist. Bij besluit van 30 juni 2004 is het bezwaar tegen de voorschotnota 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen betreffende de vergoeding van proceskosten en griffierecht - het beroep gegrond verklaard en het besluit van 30 juni 2004 vernietigd. Zij was van oordeel dat appellant in het besluit op bezwaar niet voldoende is ingegaan op de betwisting door betrokkene van de juistheid van de indeling in de sector Uitzendbedrijven en niet in voldoende mate heeft gemotiveerd op welke grond betrokkene van rechtswege is aangesloten bij die sector, waarmee tevens een deugdelijke grond ontbreekt voor de toepassing van de wachtgeldpremie voor Uitzendbedrijven in de voorschotnota voor betrokkene.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de sectorindeling met het besluit van 1 mei 2003 in rechte is komen vast te staan en de rechtsgevolgen met dit besluit zijn ingetreden. Het besluit op bezwaar van 30 juni 2004 ziet alleen op de hoogte van de wachtgeldpremie en het bezwaar is voorzover het de indeling betreft aangemerkt als een herzieningsverzoek van het besluit van 30 januari 2003. Voorzover sprake is van een bezwaar tegen de indeling zou dit volgens appellant niet-ontvankelijk zijn.

Gelet op de inhoud van het bezwaarschrift tegen de voorschotnota 2004 en van de brief van betrokkene van 16 maart 2004 stelt de Raad vast dat het bezwaar niet zozeer is gericht tegen de hoogte van de wachtgeldpremie voor 2004 op zichzelf, als wel tegen de daaraan ten grondslag liggende indeling bij de sector Uitzendbedrijven. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat betrokkene mede bezwaar heeft gemaakt tegen de indeling waarop de voorschotnota is gebaseerd. De vermelding in de brief van 16 maart 2004 dat het bezwaar meer subsidiair moet worden aangemerkt als een verzoek om de indeling te wijzigen, betekent niet dat betrokkene dit bezwaar niet heeft gehandhaafd.

De Raad onderschrijft het standpunt van appellant dat de voorschotnota over 2004 geen besluit bevat betreffende de sectorindeling van betrokkene, aangezien omtrent die indeling laatstelijk bij het op 1 mei 2003 gehandhaafde besluit van 30 januari 2003 is beslist. Dit brengt mee dat appellant het bezwaar van betrokkene voorzover dat betrekking heeft op de indeling niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Nu de bezwaren van betrokkene tegen het in de voorschotnota 2004 vermelde premiebedrag geen grond bieden voor het oordeel dat deze nota onjuist is, is de Raad, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het besluit van 30 juni 2004 voor het overige in stand kan blijven.

Nu de rechtbank het besluit van 30 juni 2004 ten onrechte in zijn geheel heeft vernietigd en die vernietiging voorts berust op andere gronden, zal de Raad - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - het beroep gegrond verklaren, voormeld besluit vernietigen voorzover daarbij niet is beslist op het bezwaar dat is gericht tegen de indeling bij de sector Uitzendbedrijven, en met gebruikmaking van de hem op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht toekomende bevoegdheid het bezwaar in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 30 juni 2004 gegrond en vernietigt dat besluit voorzover daarbij niet is beslist op het bezwaar tegen de indeling bij de sector Uitzendbedrijven;
Verklaart het bezwaar in zoverre niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2006.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x