Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AX8868
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 24-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Blijvend gehele weigering WW-uitkering omdat betrokkene akkoord is gegaan met beŽindiging van het dienstverband terwijl aan de voortzetting daarvan niet zodanige bezwaren zijn verbonden dat die voortzetting niet redelijkerwijs kon worden gevergd.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/3536 WW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 29 april 2005, 04/2944 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.C.M. Bonnier, advocaat te Wijchen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bonnier. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. S.J. Croes, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad stelt voorop dat dit geding wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en daarop berustende bepalingen zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Appellant, geboren in 1964, was sinds 1 mei 1992 in dienst van WP suspension B.V. te Malden (hierna: werkgever), laatstelijk in de functie van technisch commercieel medewerker op de afdeling naverkoop. Op 2 december 2003 heeft appellant een gesprek gehad met zijn algemeen directeur, het afdelingshoofd en de personeelsfunctionaris, bij welke gelegenheid hem ontslag is aangezegd in verband met de inkrimping van de afdeling naverkoop. Tevens is appellant bij die gelegenheid op non-actief gesteld. Op 3 december 2003 heeft de werkgever deze beslissingen schriftelijk aan appellant kenbaar gemaakt.

2.2. Appellant heeft zich vervolgens tot zijn gemachtigde gewend die zich per brief van 9 december 2003 tot de werkgever heeft gericht. In die brief is aangegeven dat appellant met succes in een procedure voor de kantonrechter uitvoerig verweer zou kunnen voeren. In die brief is echter tevens aangegeven dat bij appellant de bereidheid bestaat om van gedachten te wisselen over een goede beŽindigingregeling. Partijen zijn vervolgens in overleg getreden hetgeen ertoe heeft geleid dat de werkgever op 23 maart 2004 de kantonrechter heeft verzocht de arbeidsovereenkomst met appellant per 1 juni 2004 te ontbinden, onder de toekenning van een vergoeding van Ä 50.000,--. Bij geschrift van gelijke datum heeft appellant verweer gevoerd. Namens appellant is daarbij aangegeven dat de door de werkgever gestelde verandering in omstandigheden, daaruit bestaande dat er sprake is van onoverbrugbare verschillen van inzicht ten aanzien van de wijze van de verrichting van zijn functie, geheel in de risicosfeer van de werkgever liggen en hem ter zake geen verwijt treft. Tevens is namens appellant bij die gelegenheid aangegeven dat, met inachtneming van de opzegtermijn van twee maanden, de aangeboden vergoeding als redelijk wordt beschouwd. De kantonrechter heeft vervolgens bij beschikking van 31 maart 2004 de arbeidsovereenkomst per 1 juni 2004 ontbonden onder toekenning van de door de werkgever vermeldde vergoeding.

3.1. Appellant heeft op 2 juni 2004 een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 9 augustus 2004 heeft Uwv die uitkering blijvend geheel geweigerd omdat appellant akkoord is gegaan met de beŽindiging van het dienstverband terwijl aan de voortzetting daarvan niet zodanige bezwaren zijn verbonden dat die voortzetting niet redelijkerwijs van appellant gevergd kon worden. Daarbij wijst het Uwv er op dat appellant geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd en dat hij waarschijnlijk bij de werkgever in dienst had kunnen blijven. Dit leidde het Uwv tot de conclusie dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden.

3.2. Appellant heeft tegen die weigering bewaar gemaakt. Bij het thans bestreden besluit heeft het Uwv die bezwaren ongegrond verklaard en het eerder ingenomen standpunt gehandhaafd.

4. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft dat beroep ongegrond verklaard. Met het Uwv is de rechtbank van oordeel dat het aannemelijk is dat het voeren van een inhoudelijk verweer tegen het ontbindingsverzoek kans van slagen had gehad. Daarbij wijst de rechtbank er op dat appellant heeft aangegeven dat hij steeds positieve functioneringsgesprekken heeft gehad en dat hij sinds kort een nieuwe functie had waarin minder van hem werd verwacht op commercieel gebied, zodat ook daaromtrent minder problemen bestonden. Ook wijst de rechtbank er op dat net overeenstemming was bereikt met de directeur over de invulling van de nieuwe functie.

5. In hoger beroep is namens appellant - kort gezegd - betoogd dat er alles aan is gedaan om het dienstverband voort te laten bestaan, maar dat het voeren van kansrijk verweer niet mogelijk was omdat de werkgever te kennen had gegeven dat het dienstverband zou eindigen. Daarbij wijst appellant er op dat gaande het overleg met de werkgever ook de verhoudingen verslechterden.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1. Ingevolge artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW, is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien de dienstbetrekking eindigt of is beŽindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad strekt dit voorschrift zich ook uit tot het actief of passief meewerken aan een beŽindiging van de dienstbetrekking op initiatief van de werkgever. Dit brengt tevens mee dat in ieder geval van een werknemer mag worden verwacht dat tegen een ontbindingsverzoek een inhoudelijk verweer wordt gevoerd indien aannemelijk is dat dat verweer slaagt.

6.2. Afgaande op de stukken en gelet op hetgeen door appellant naar voren is gebracht, stelt de Raad vast dat er voor appellant tot 2 december 2003 geen redenen waren om te veronderstellen dat zijn dienstverband op korte termijn zou eindigen. Zoals appellant zelf heeft aangegeven was hij opgeklommen in het bedrijf, had hij enige tijd een commerciŽle functie uitgeoefend waarin de resultaten wat minder waren, maar functioneerde hij op dat moment weer goed en was hem ook niet te verstaan gegeven dat zijn prestaties onder de maat waren. Zoals appellant eveneens heeft aangegeven kwam de aankondiging van het voorgenomen ontslag voor hem dan ook als een donderslag bij heldere hemel. Gelet op die omstandigheden kan niet worden staande gehouden dat het voeren van een inhoudelijk verweer ter zake van een ontbindingsverzoek geen kans van slagen zou hebben.

6.3. Anders dan door de gemachtigde van appellant gesteld, kan de Raad op basis van de stukken niet concluderen dat appellant er alles aan gedaan heeft om de arbeidsovereenkomst in stand te laten en dat eerst in een later stadium is overgegaan tot een bespreking van een beŽindiging van de arbeidsovereenkomst en een in dat verband door de werkgever aan te bieden vergoeding. Immers, reeds in de eerste brief van de gemachtigde van 9 december 2003 aan de werkgever, wordt de uitnodiging gedaan om van gedachten te wisselen over een beŽindigingsregeling, terwijl door appellant geen concrete aanwijzingen zijn ingebracht die er op duiden dat getracht is de dienstbetrekking te laten voortduren.

6.4. De Raad heeft geen reden om er aan te twijfelen dat de werkgever appellant te verstaan had gegeven dat de arbeidsovereenkomst hoe dan ook tot een einde zou komen. De Raad onderkent daarbij dat die harde opstelling niet bevorderlijk zal zijn geweest voor het animo van appellant om zijn werkzaamheden te hervatten. Dit enkele feit betekent echter niet dat redelijkerwijs niet van appellant kon worden gevergd dat de dienstbetrekking zou worden voortgezet. Vanuit het oogpunt van de WW mocht derhalve ook in dat opzicht van appellant worden verlangd dat hij zich tegen een beŽindiging van dienstbetrekking verzette.

6.5. De Raad wijst er op dat ook de hoogte van de toegekende vergoeding ter zake van de ontbinding er op wijst dat appellant met succes een inhoudelijk verweer had kunnen voeren. Zoals door appellant zelf is aangegeven is in de onderhandelingen over die vergoeding uiteindelijk een bepaald bedrag vastgesteld waardoor de zogenoemde C-factor op 1,6 neerkwam, terwijl de werkgever daarnaast nog gedurende zes maanden salaris heeft doorbetaald zonder dat appellant daar een arbeidsprestatie tegenover behoefde te stellen, zodat de feitelijke vergoeding aan appellant uiteindelijk neerkwam op ongeveer 22 maanden salaris. Weliswaar zou in een procedure op tegenspraak door de kantonrechter wellicht ook een dergelijk bedrag zijn toegekend, maar dat dit feitelijk neer zou komen op een zelfde uitkomst of dat appellant zelfs het risico liep dat de kantonrechter een lager bedrag zou toekennen dan de werkgever in de voorafgaande onderhandelingen had aangeboden, betekent niet dat appellant mocht afzien van het voeren van dat inhoudelijk verweer. Ten slotte wijst de Raad er wat dat betreft ook op dat de kantonrechter het ontbindingsverzoek had kunnen afwijzen dan wel dat de toegekende vergoeding zo hoog was dat de werkgever het verzoek zou intrekken.

6.6. Uit het feit dat de werkgever in financiŽle problemen verkeerde en dat er nadien nog diverse medewerkers zijn ontslagen, kan naar het oordeel van de Raad niet worden afgeleid dat het voeren van inhoudelijk verweer kansloos zou zijn geweest. Tenslotte is het de Raad niet gebleken dat het Uwv ten aanzien van appellant in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld.

6.7. De Raad ziet geen aanleiding om te concluderen dat het niet nakomen van de verplichting uit artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW appellant niet in overwegende mate zou kunnen worden verweten.

6.8. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H.G. Rottier en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2006.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x