Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AX9866
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Het bezwaar tegen de beslissing op de aanvraag voor WW-uitkering is terecht ongegrond verklaard. Er is geen grond voor vergoeding van schade.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/4036 WW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 mei 2005, 04/1576 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. C. Steijgerwalt, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.B. Knollema, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. De Raad gaat, op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, als vaststaand aangenomen, feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant heeft tot en met 31 oktober 2003 als systeembeheerder gewerkt voor Enoteam Systemen B.V. te Utrecht. Aan deze dienstbetrekking is een einde gekomen doordat appellant wegens bedrijfseconomische noodzaak is ontslagen. Appellant heeft in verband hiermee een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de WW, gedateerd 29 oktober 2003.

2.2. Bij brief van 28 oktober 2003 heeft het Uwv bevestigd dat appellant zich heeft gemeld om in aanmerking te komen voor een WW-uitkering en heeft, teneinde het recht op een WW-uitkering te kunnen vaststellen, appellant verzocht een tweetal bij die brief gevoegde informatieformulieren, werkbriefjes genaamd, in te vullen en in te zenden op 17 november 2003. Het ene werkbriefje had betrekking op de periode 1 november 2003 tot en met 9 november 2003 en het andere op de periode 10 november 2003 tot en met 16 november 2003. Bij brief van 20 november 2003 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld nog geen werkbriefjes te hebben ontvangen en dat hij voor het vaststellen van het recht op WW-uitkering het eerste werkbriefje nodig heeft. Hij heeft verzocht het desbetreffende werkbriefje, met de op een bijlage te vermelden reden van te late inzending, binnen één week op te sturen en te kennen gegeven dat als het werkbriefje dan niet is ontvangen de aanvraag niet in behandeling kan worden genomen.

2.3. Bij brief van 28 november 2003 heeft het Uwv aan appellant te kennen gegeven dat, omdat geen werkbriefje is ontvangen, geen beslissing kan worden genomen over het recht op WW-uitkering van appellant, en dat hij heeft besloten de aanvraag niet verder in behandeling te nemen. Appellant heeft daartegen bij schrijven van 8 januari 2004 bezwaar gemaakt. Appellant heeft daarbij gesteld dat hij de werkbriefjes tot twee maal toe heeft opgestuurd in de daarvoor bestemde retourenveloppen. Bij het schrijven waren kopieën gevoegd van het besluit van 28 november 2003, de desbetreffende werkbriefjes en de door appellant ingevulde bijlage bij de brief van 20 november 2003. Bij brief van 7 februari 2004 heeft appellant het Uwv aansprakelijk gesteld voor alle schade die tengevolge van de primaire besluitvorming mocht ontstaan. Bij besluit van 27 april 2004 heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen het besluit van 28 november 2003 om de aanvraag niet verder in behandeling te nemen ongegrond verklaard. In de brief waarbij het besluit van 27 april 2004 aan appellant is toegezonden, is opgemerkt dat de twee werkbriefjes en de ‘reden te late inlevering werkbriefje’ zijn opgestuurd naar de afdeling WW ter beoordeling van appellants recht op een WW-uitkering.

2.4. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 27 april 2004. Bij besluit van 31 mei 2004 heeft het Uwv appellant in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering met ingang van 3 november 2003 en dit besluit aan de rechtbank toegezonden. Ter zitting van de rechtbank heeft appellant blijkens het proces-verbaal onder meer gewezen op zijn belang om wettelijke rente te verkrijgen.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 27 april 2004 niet-ontvankelijk verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat als gevolg van het nader genomen besluit van 31 mei 2004 geen geschil meer bestaat met betrekking tot het besluit van 27 april 2004 en dat van de rechter dan geen uitspraak meer kan worden gevraagd. In de stelling dat schade is geleden ten gevolge van de bestuurlijke besluitvorming heeft de rechtbank, nu niet aannemelijk is gemaakt dat appellant schade heeft geleden tengevolge van het besluit van 27 april 2004, ook geen processueel belang aanwezig geoordeeld, waartoe zij heeft overwogen dat uit het verzoek om toekenning van wettelijke rente kan worden afgeleid dat de eventuele schade niet het gevolg is van het besluit tot het niet verder in behandeling nemen van de aanvraag doch van het toekenningsbesluit van 31 mei 2004, welk besluit in het geding niet aan de orde is.

4. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd, verwijzende naar de door hem in beroep aangevoerde grief over de volgens hem onfatsoenlijke handelwijze van het Uwv en naar zijn verzoek om toekenning van wettelijke rente, dat hij, anders dan de rechtbank als haar standpunt te kennen heeft gegeven in de aangevallen uitspraak, wel voldoende processueel belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn zaak. Hij heeft daarbij uitdrukkelijk zijn verzoek herhaald om vergoeding van wettelijke rente wegens de door hem geleden schade tengevolge van de besluitvorming van het Uwv.

5. In verweer heeft het Uwv zich gesteld achter de door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak gegeven beslissing.

6. De Raad overweegt het volgende.

6.1. De Raad kan niet het oordeel van de rechtbank onderschrijven dat appellant geen processueel belang meer heeft bij de beoordeling van het besluit van 27 april 2004. Appellant heeft immers gesteld dat hij schade heeft geleden ten gevolge van de besluitvorming die tot dit besluit heeft geleid en in verband waarmee hem eerst op een latere datum uitkering ingevolge de WW betaalbaar is gesteld. Aangezien de rechtbank een beslissing daaromtrent achterwege heeft gelaten, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.

6.2. Omdat de zaak geen verdere behandeling door de rechtbank behoeft zal de Raad de zaak niet terugwijzen maar, doende wat de rechtbank had behoren te doen, onderzoeken of het besluit van 27 april 2004 in rechte stand kan houden.

6.3. Hoewel appellant heeft gesteld dat hij de werkbriefjes, waarom het Uwv bij de brief van 20 november 2003 had gevraagd, eerder aan het Uwv heeft toegezonden, en wel op 23 november 2003 en nog een keer naar aanleiding van het besluit van 28 november 2003, heeft het Uwv gesteld dat het deze werkbriefjes pas voor het eerst bij het bezwaarschrift van 8 januari 2004 heeft ontvangen. De Raad acht deze stelling van het Uwv niet ongeloofwaardig en is voorts van oordeel dat appellant zijn stelling dat hij afschriften van de desbetreffende werkbriefjes tot twee maal toe in de daartoe verstrekte retourenveloppen aan het Uwv heeft toegezonden, niet genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen de beslissing appellants aanvraag buiten behandeling te laten bij het besluit van 27 april 2004 dan ook terecht ongegrond verklaard. Het voorgaande betekent tevens dat geen grond bestaat voor vergoeding van schade.

6.4. Het besluit van 27 april 2004 houdt in rechte stand. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

7. De Raad ziet tenslotte geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 27 april 2004 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en R.P.Th. Elshoff als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B. van Zoelen-Altunc als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2006.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) B. van Zoelen-Altunc.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x