Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AY0016
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 31-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid. Het UWV heeft onvoldoende zorgvuldig onderzoek gedaan naar de relevante feiten. Het besluit is ondeugdelijk gemotiveerd.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/5229 WW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 8 juli 2005, 05/239 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 31 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M.M.J.P. Penners, advocaat te Sittard-Geleen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2006. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant is met ingang van 23 augustus 2004 voor de duur van een half jaar in dienst getreden van [de werkgever] (hierna: de werkgever). Op 13 oktober 2004 heeft appellant ontslag genomen naar aanleiding van een woordenwisseling tussen hem en twee collega’s. Nadat appellant te kennen had gegeven terug te komen van zijn ontslagname en de werkgever dit had geaccepteerd hebben appellant en de werkgever overeenstemming bereikt over een ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter. Op grond van deze overeenstemming heeft de werkgever op 21 oktober 2004 de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst per 1 november 2004 te ontbinden wegens gewichtige redenen, gelegen in een verschil van inzicht over de wijze waarop de werkzaamheden moeten worden verricht en een daardoor ontstane verstoorde arbeidsverhouding, waarvan appellant geen verwijt valt te maken. Eveneens op 21 oktober 2004 is namens appellant van verweer gediend. Bij beschikking van 26 oktober 2004 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbonden. Aan appellant is geen vergoeding toegekend.

2.2. Bij besluit van 15 november 2004 heeft het Uwv de door appellant aangevraagde uitkering ingevolge de WW bij wijze van maatregel met ingang van 1 november 2004 blijvend en geheel geweigerd op grond van verwijtbare werkloosheid. Bij besluit van 24 januari 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 november 2004 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft hierbij toepassing gegeven aan artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder b, van de WW.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank was met het Uwv van oordeel dat de inspanningen van appellant na 13 oktober 2004 niet gericht waren op het behoud van zijn baan, maar op het veiligstellen van een WW-uitkering. Voorts oordeelde de rechtbank dat de problematische situatie van appellant ten tijde van zijn ontslagname geen reden vormde om zodanige bezwaren tegen voortzetting van de dienstbetrekking aanwezig te achten, dat die voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. Appellant heeft naar het oordeel van de rechtbank niet hard kunnen maken dat de collega’s met wie hij problemen had zodanige bedreigingen uitten en hem zodanig intimideerden, dat ontslag nemen de enige optie was.

4. In hoger beroep ligt de vraag voor of de Raad de rechtbank volgt in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW in verbinding met artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van die wet dient de werknemer te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt doordat de dienstbetrekking eindigt of is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. Blijkens vaste jurisprudentie van de Raad, zie bijvoorbeeld CRvB 3 oktober 2001, LJN AD6308, USZ 2001/300, RSV 2002/2, ziet artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW niet alleen op situaties waarin een werknemer ontslag neemt, maar ook op gevallen waarin een werknemer onnodig actief of passief meewerkt aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking op initiatief van de werkgever.

4.2. Ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient bij de voorbereiding van een besluit het bestuursorgaan de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen. Volgens artikel 7:12, van die wet dient de beslissing op het bezwaar te berusten op een deugdelijke motivering.

4.3. Het Uwv heeft in de eerste plaats het standpunt ingenomen dat het appellant moet worden toegerekend dat hij verwijtbaar werkloos is geworden omdat hij de woordenwisseling met zijn collega’s op 13 oktober 2004 had moeten voorkomen en omdat hij zich overigens onvoldoende heeft ingespannen om een goede arbeidsverhouding met de werkgever te bereiken. De uit de verslechterende arbeidsverhouding voortgekomen redenen voor appellant om mee te werken aan de beëindiging van die arbeidsrelatie acht het Uwv onvoldoende om die medewerking te rechtvaardigen.

4.4. De Raad moet constateren dat het dossier onvoldoende eenduidige informatie bevat over de aard en omvang van de problemen tussen appellant en de bedoelde twee collega’s en over de rol van de directeur van de werkgever. Zo heeft appellant herhaaldelijk en consequent verklaard dat zijn collega’s hem pestten en hem vanaf zijn indiensttreding vijandig en intimiderend bejegenden. Maar de werkgever heeft tegenover het Uwv verklaard dat het appellant was die bedreigingen uitte aan het adres van bedoelde collega’s. Voorts heeft appellant verklaard dat hij meermalen met de directeur van de werkgever heeft gesproken over de door hem, appellant, ondervonden problemen, maar heeft die directeur verklaard dat hem niets bekend was van problemen tussen appellant en de bewuste collega’s. De Raad leidt uit het bestreden besluit af dat het Uwv doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan de verklaring van de werkgever en daaraan de gevolgtrekking heeft verbonden dat voortzetting van de dienstbetrekking redelijkerwijs van appellant kon worden gevergd. De Raad is echter niet duidelijk geworden om welke redenen het Uwv meer waarde heeft gehecht aan de verklaring van de werkgever dan aan die van appellant. Dat de lezing van de werkgever deels berust op verklaringen van bedoelde collega’s en derhalve door meerdere personen wordt onderschreven, zoals ter zitting door het Uwv is opgemerkt, acht de Raad een ontoereikende grond voor de door het Uwv gemaakte keuze. Aan het hier besproken onderdeel van het bestreden besluit ligt dan ook een onvoldoende zorgvuldig onderzoek ten grondslag naar de relevante feiten en deswege is dit besluit eveneens ondeugdelijk gemotiveerd.

4.5. Voorts is het bestreden besluit gebaseerd op de opvatting van het Uwv dat appellant in de procedure bij de kantonrechter onvoldoende verweer heeft gevoerd tegen het verzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Dit standpunt is ter zitting door het Uwv aldus toegelicht dat appellant in zijn verweerschrift in de ontbindingsprocedure bij de kantonrechter inhoudelijk had behoren te reageren op de stellingen van de werkgever in diens ontbindingsverzoek en een uitvoerige uiteenzetting had moeten geven van de door hem genoemde negatieve en dreigende werksfeer, zich uitend in pesterijen, bedreigingen en intimidaties door twee collega’s en in tegenwerking bij de uitvoering van zijn werkzaamheden.

4.6. De Raad overweegt dat het Uwv er ten aanzien van appellant klaarblijkelijk vanuit gaat dat het voeren van verweer in de ontbindingsprocedure zou hebben geleid tot een afwijzing van de vordering van de werkgever. De hier besproken grond kan het bestreden besluit echter evenmin dragen, reeds omdat blijkens hetgeen de Raad in 4.4. heeft overwogen, het Uwv geen toereikend onderzoek heeft gedaan naar de relevante feiten. De situatie op de werkvloer ten tijde van de betreffende incidenten is dermate onduidelijk gebleven het Uwv op basis van de hem wel ter beschikking staande gegevens niet tot het oordeel kon komen dat een door appellant inhoudelijk gevoerd verweer in de ontbindingsprocedure succes zou hebben gehad.

4.7. De Raad komt tot het oordeel dat het bestreden besluit, als te zijn genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb, ten onrechte door de rechtbank in stand is gelaten. Deze uitspraak komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.

5. De Raad ziet in de gegeven omstandigheden aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant, welke in eerste aanleg worden begroot op € 644,-- en in hoger beroep op € 322,--.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 966,--;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- (€ 37,-- + € 103,--) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B. Altunc-van Zoelen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2006.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) B. Altunc-van Zoelen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x