Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AY0053
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid. Ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Voorzienbaar ontslag tengevolge van het incident?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/5830 WW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen van 1 september 2005, 05/844 en 05/845 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, werkzaam bij FNV Bondgenoten te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 7 april 2006 en van 13 april 2006 heeft appellant nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.T. Dieters, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Tevens is als getuige gehoord [getuige], wonende te [woonplaats] die van de zijde van appellant is meegebracht.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Appellant, geboren in 1956, is vanaf 4 april 1982 werkzaam geweest bij [de werkgever] (hierna: de werkgever). Na verkregen toestemming van de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen heeft de werkgever bij brief van 23 december 2004 de arbeidsovereenkomst met appellant per 1 april 2005 beλindigd.

2.2. Op 13 maart 2005 heeft appellant een uitkering ingevolge de WW aangevraagd. Bij besluit van 15 april 2005 heeft het Uwv de uitkering aan appellant met ingang van 1 april 2005 bij wijze van maatregel blijvend geheel geweigerd. Daartoe is overwogen dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden omdat hij heeft kunnen weten dat zijn onveilig gedrag op de werkvloer tot ontslag zou leiden. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft het Uwv zijn standpunt bij het bestreden besluit van 7 juli 2005 gehandhaafd. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellant ook vσσr het incident van 12 november 2004 dat tot het ontslag heeft geleid, er diverse malen door zijn werkgever op is gewezen dat hij zijn gedrag diende te veranderen omdat dit anders ontslag tot gevolg zou kunnen hebben, terwijl door de werkgever eveneens pogingen zijn ondernomen om appellant te ondersteunen bij verandering van zijn gedrag. Door te persisteren in zijn onveilige gedrag heeft appellant in de visie van het Uwv kunnen weten dat hij het risico liep om werkloos te worden, zodat hij door eigen toedoen zijn baan is kwijtgeraakt.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep van appellant onder toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat, ook losstaand van het incident op 12 november 2004, gezien de lange voorgeschiedenis kan worden geconcludeerd dat het ontslag van appellant niet uit de lucht kwam vallen en dat het ontslag appellant verweten kan worden. Appellant heeft van zijn werkgever twee keer een schriftelijke waarschuwing gekregen en is diverse malen door zijn werkgever op onveilig gedrag aangesproken. Gelet hierop had appellant er naar het oordeel van de rechtbank rekening mee dienen te houden dat zijn werkgever erop zou toezien dat hij zich hield aan de veiligheidsafspraken en -voorschriften. Appellant had daarom volgens de rechtbank kunnen weten dat indien zou blijken dat hij de veiligheidsvoorschriften onvoldoende in acht zou nemen, dit tot een ontslag zou kunnen leiden. Mitsdien heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot het bestreden besluit kunnen komen.

4. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Daartoe is aangevoerd dat het Uwv in onvoldoende mate aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan door zich te beperken tot het opvragen van het ontslagdossier bij de werkgever. Wat betreft de gestelde feiten en omstandigheden, met name ten aanzien van het incident op 12 november 2004, stelt appellant zich op het standpunt dat door het Uwv de ontslagaanvraag van de werkgever centraal wordt gesteld, maar dat dit geen objectieve weergave is. Hij betwist dan ook dat hij veiligheidsvoorschriften heeft overtreden en dat hij zich verwijtbaar jegens zijn werkgever heeft gedragen.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Mede gelet op het verhandelde ter zitting van de Raad spitst het geding zich primair toe op de vraag of het ontslag van appellant ten gevolge van het incident op 12 november 2004, waarbij hij in strijd met de geldende veiligheidsvoorschriften een onveilige looproute over de werkvloer zou hebben gekozen, voorzienbaar was. Die vraag beantwoordt de Raad ontkennend. Weliswaar is appellant in voorgaande jaren meermalen betrokken geweest bij voorvallen waarbij veiligheidsvoorschriften werden overtreden en is hij hiervoor laatstelijk op 11 maart 2003 schriftelijk gewaarschuwd, zulks neemt niet weg dat geen gegevens voorhanden zijn waaruit blijkt dat appellant daarna tot het incident op 12 november 2004 onveilig zou hebben gehandeld. Ten aanzien van dat incident overweegt de Raad dat op basis van de voorhanden gedingstukken kan worden vastgesteld dat voor de werknemers geen verplichte looproute was vastgesteld, dat ter zake veiligheidsvoorschriften ontbraken en dat een waarschuwingslamp voor gevaar bij het takelen van rollen met karton niet functioneerde. In een brief van 29 november 2004 heeft de werkgever bovendien erkend dat de rapportage van het incident op 12 november 2004 een onjuistheid bevatte. Deze betrof naar het oordeel van de Raad een essentieel punt, namelijk de positie van de tamboer. Deze bleek op de grond te liggen, zoals appellant had gesteld, toen hij tussen de rol en de loopbrug door liep. Voorts is door de getuige ter zitting verklaard dat van de door appellant gekozen looproute al jarenlang door meerdere werknemers gebruik gemaakt werd en dat daartegen door de werkgever nimmer is opgetreden, terwijl de veiligheidsvoorschriften eerst zijn vastgesteld na het incident op 12 november 2004. Bovendien is het incident van 12 november 2004 voor de werkgever blijkbaar niet van dien aard geweest dat hij daarin aanleiding heeft gezien appellant op staande voet te ontslaan of met onmiddellijke ingang op non actief te stellen, gelet op het feit dat appellant tot 18 januari 2005, de datum waarop de werkgever de ontslagvergunning aanvroeg, gewoon heeft doorgewerkt. Voorts valt uit de wijze waarop de werkgever de veiligheidsvoorschriften na 12 november 2004 bekend heeft gemaakt, voorts, naar appellant terecht heeft opgemerkt, op te maken dat deze appellant ten voorbeeld heeft willen stellen voor het overige personeel. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de Raad niet worden staande gehouden dat zijn gedrag op 12 november 2004 voor appellant voorzienbaar tot zijn ontslag zou leiden. Mitsdien heeft het Uwv ten onrechte gesteld dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW.

5.2. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, evenals het bestreden besluit, dat bij de aangevallen uitspraak in stand is gelaten. Het Uwv zal met inachtneming van het voorgaande een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen.

6. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant terzake van aan hem verleende rechtsbijstand, welke worden begroot op € 644,-- in bezwaar, € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep, alsmede € 42,06 aan reiskosten van appellant en € 43,52 aan reiskosten van de getuige, in totaal derhalve € 2.017,58.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van appellant beslist;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.017,58, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B. van Zoelen-Altunc als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2006.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) B. van Zoelen-Altunc.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x