Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AY0138
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging van een maatregel omdat betrokkene in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/6440 WW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 22 september 2005, 04/1379 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. H.B.Th. Koekkoek, werkzaam bij de Hout-en Bouwbond CNV, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2006, waar appellant - met bericht - niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.B. Froentjes, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende gegevens.

2.1. Appellant heeft van 16 juni 2003 tot en met 7 november 2003 als timmerman gewerkt bij [naam werkgever] te [vestigingsplaats]. Aan appellant is vervolgens met ingang van 10 november 2003 een WW-uitkering toegekend, welke uitkering bij besluit van 17 augustus 2004 met ingang van 16 augustus 2004 is gekort met 20% gedurende 16 weken op de grond dat appellant zich niet had gehouden aan de verplichting neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW. Deze verplichting houdt in dat de werknemer voorkomt dat hij werkloos is of blijft, doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen.

2.2. Op het werkbriefje, dat betrekking had op de periode van 19 juli 2004 tot en met 15 augustus 2004, heeft appellant één sollicitatie vermeld. Op de vraag waarom hij in de afgelopen vier weken niet tenminste vier sollicitaties heeft verricht heeft hij geantwoord dat er vakantie is in de bouw en dat in verband daarmee geen bouwbedrijven bereikbaar zijn.

2.3. Bij besluit van 20 oktober 2004, het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 17 augustus 2004 ongegrond verklaard en de opgelegde maatregel gehandhaafd. Daartoe is overwogen dat het informeren naar werk bij uitzendbureaus waar appellant reeds is ingeschreven niet als een concrete sollicitatieactiviteit geldt. Aan het werken voor een uitzendbureau is onlosmakelijk het risico van gehele of gedeeltelijke werkloosheid verbonden. Van appellant wordt in zo’n situatie verwacht dat hij al het mogelijke doet om arbeid op een meer duurzame basis te verkrijgen en dat hij tenminste gemiddeld één concrete sollicitatie per week verricht.

3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat vaststaat dat appellant in de in geding zijnde periode alleen in de eerste week een sollicitatie heeft verricht en gedurende twee dagen heeft gewerkt. Met betrekking tot hetgeen appellant heeft aangevoerd over de omstandigheid dat hij vanwege bouwvakvakantie geen vacatures kon vinden heeft zij overwogen dat dit onverlet laat dat hij bijvoorbeeld open sollicitaties had kunnen schrijven of werkgevers (buiten de bouw) spontaan had kunnen bezoeken. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan appellant zijn sollicitatieverplichting niet kon nakomen is de rechtbank niet gebleken. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat, nu appellant de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW neergelegde verplichting niet is nagekomen, het Uwv gehouden was een maatregel op te leggen. In de door appellant aangevoerde omstandigheden heeft de rechtbank geen aanleiding gezien te oordelen dat het Uwv de bij het bestreden besluit opgelegde maatregel had dienen te matigen, terwijl er voorts niet is gebleken van dringende redenen zoals bedoeld in artikel 27, zesde lid, van de WW.

4. Appellant heeft in hoger beroep met betrekking tot het bestreden besluit in vergelijking met hetgeen reeds eerder is aangevoerd geen wezenlijke nieuwe gezichtspunten naar voren gebracht.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De Raad onderschrijft het oordeel dat de rechtbank over het bestreden besluit heeft gegeven en verenigt zich met de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd. Gelet op de duur van de werkloosheid van appellant mocht het Uwv van appellant verlangen dat hij zich, teneinde niet langer werkloos te blijven, breder op de arbeidsmarkt zou opstellen en ook zou uitzien naar andere functies dan die van timmerman. De Raad kent in dit verband betekenis toe aan de omstandigheid dat, zoals uit de stukken blijkt, het Centrum voor Werk en Inkomen appellant heeft ingedeeld in fase 1, hetgeen betekent dat de afstand tot de arbeidsmarkt als vrij klein moet worden aangemerkt, en dat appellant, zelfs met het door hem gestelde omtrent diens leeftijd en eenzijdige arbeidsverleden, over voldoende kwaliteiten beschikt om passende arbeid te verkrijgen. Om die reden rust op het Uwv niet de verplichting om nader onderzoek te doen naar de zich ten tijde van belang voordoende vacatures in de voor appellant passende arbeid. Voorts merkt de Raad nog op dat hij reeds diverse malen heeft geoordeeld dat het niet in strijd is met een juiste uitleg van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW dat het Uwv van een werkloze werknemer verlangt dat deze in beginsel ten minste vier concrete en verifieerbare sollicitaties per beoordelingsperiode van vier weken verricht. Van uitzonderlijke individuele omstandigheden op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat voor appellant de sollicitatieplicht niet opgaat is ook de Raad niet gebleken. De Raad wijst er tenslotte nog op dat hij met het Uwv van oordeel is dat alleen het langsgaan bij een uitzendbureau waar een werknemer is ingeschreven niet als een concrete, verifieerbare sollicitatie kan worden aangemerkt.

5.2. Het hoger beroep van appellant treft derhalve geen doel zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2006.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x