Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AY3917
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WW-uitkering. Betrokkene heeft zich verwijtbaar jegens zijn werkgever gedragen; de beŽindiging van zijn dienstbetrekking was voorzienbaar.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/4555 WW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 juni 2005, 05/827 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.H.F.M. van Rijswijck, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2006. Appellant is - met bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. van de Berkt, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Onder verwijzing naar het in de aangevallen uitspraak gegeven overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het volgende.

2.2. Appellant is met ingang van 17 juni 2002 op een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst getreden van [werkgever] (hierna: de werkgever) in de functie van chauffeur/verkoopmedewerker.
Naar aanleiding van het feit dat appellant gedurende het dienstverband betrokken is geweest bij een aantal aanrijdingen en schades aan de bedrijfsauto, heeft de werkgever appellant in een brief van 4 december 2003 te verstaan gegeven dat de arbeidsovereenkomst zal worden beŽindigd indien appellant opnieuw betrokken raakt bij een aanrijding. Appellant heeft deze brief ondertekend.
Bij brief van 6 april 2004 is appellant met onmiddellijke ingang ontslagen, omdat hij op 2 april 2004 schade aan een bedrijfsauto heeft veroorzaakt die hij niet aan de werkgever heeft gemeld.
Appellant heeft de nietigheid ingeroepen van het ontslag op staande voet, waarop het is ingetrokken. Bij beschikking van 30 juli 2004 heeft de kantonrechter op een daartoe strekkend verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van 1 augustus 2004. Daarbij is appellant een vergoeding van Ä 2.976,-- bruto (twee maandsalarissen) ten laste van de werkgever toegekend.

2.3. Bij besluit van 27 september 2004 heeft het Uwv de door appellant aangevraagde WW-uitkering met ingang van 1 september 2004 blijvend geheel geweigerd op grond van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, waarin de verplichting is neergelegd dat de werknemer voorkomt dat hij verwijtbaar werkloos wordt doordat hij zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen, dat dit gedrag de beŽindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben.

2.4. Bij het bestreden besluit van 22 februari 2005 heeft het Uwv het besluit van 27 september 2004 na bezwaar gehandhaafd.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat voldoende aannemelijk is geworden dat appellant meerdere malen schade heeft veroorzaakt aan een bedrijfsauto of vrachtwagen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant zich door meerdere malen schade te veroorzaken en door de laatst veroorzaakte schade niet te melden, verwijtbaar jegens zijn werkgever heeft gedragen. Aangezien appellant verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, was het Uwv gehouden een maatregel op te leggen. De door appellant aangevoerde omstandigheden leveren naar het oordeel van de rechtbank geen verminderde verwijtbaarheid in de zin van artikel 27, eerste lid, van de WW op. Overigens is niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 27, zesde lid, van de WW, op grond waarvan het Uwv de bevoegdheid had om van het opleggen van een maatregel af te zien.

4. Ter beoordeling staat thans of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit.

4.1. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, bevat in vergelijking met hetgeen eerder is aangevoerd geen nieuwe gezichtspunten terwijl hetgeen door de rechtbank is vastgesteld en overwogen door de Raad wordt onderschreven. Ook naar het oordeel van de Raad heeft appellant zich verwijtbaar jegens zijn werkgever gedragen en was de beŽindiging van zijn dienstbetrekking voorzienbaar.
De Raad voegt hier aan toe dat appellant zich van de strekking van de brief van 4 december 2003, waarbij appellant een laatste waarschuwing is gegeven, bewust is geweest, hetgeen de Raad onder meer afleidt uit het formulier waarmee appellant op 16 april 2004 een WW-uitkering heeft aangevraagd. Bij de vraag waarom hij ontslag heeft gekregen, heeft appellant geantwoord: ďDe reden is dat ik te veel schade veroorzaakte volgens de baasĒ en ďIk heb niet geprotesteerd omdat het zo afgesproken wasĒ.

5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. Voor een kostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.D.F. de Moor.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x