Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AY3918
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WW-uitkering. Betrokkene heeft zich jegens zijn werkgever zodanig verwijtbaar gedragen dat hij heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beŽindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/4435 WW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ís-Gravenhage van 20 juni 2005, 04/5346 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 5 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.H. Pelle, advocaat te ís-Gravenhage, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M. Folkers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Namens betrokkene is verschenen mr. Pelle, voornoemd.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Betrokkene is vanaf 1 juli 2003 werkzaam geweest als stationsmanager (i.o.) in dienst van [de werkgever] (hierna: de werkgever) op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden, welke na afloop met een periode van zes maanden is verlengd. Bij brief van 28 juni 2004 heeft de werkgever aan betrokkene medegedeeld dat het contract, dat op 30 juni 2004 afliep, niet zou worden verlengd.

2.2. Op 30 juni 2004 heeft betrokkene bij appellant een uitkering ingevolge de WW aangevraagd. Bij besluit van 27 juli 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 4 november 2004, heeft appellant de uitkering met ingang van 1 juli 2004 bij wijze van maatregel blijvend geheel geweigerd. Daartoe is primair overwogen dat betrokkene verwijtbaar werkloos is geworden omdat hij zich zo heeft gedragen dat hij redelijkerwijs had moeten begrijpen, dat zijn gedrag de beŽindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. In dat verband is aangegeven dat betrokkene zich niet heeft gehouden aan de voorschriften met betrekking tot het ophalen van een geldkoffer door Geldnet bij het tankstation, dat hij zonder overleg met zijn werkgever personeel aannam, dat hij niet reageerde op e-mails van zijn werkgever en dat hij zonder mededeling niet op zijn werk is verschenen in verband met detentie. Subsidiair heeft appellant overwogen dat betrokkene, gelet op het voorgaande, door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat aan betrokkene per 1 juli 2004 een uitkering krachtens de WW wordt toegekend, alsmede bepalingen gegeven omtrent vergoeding van griffierecht en proceskosten. Daartoe is overwogen dat niet gebleken is van de betrokkenheid van betrokkene bij de roof van de geldkoffer uit de kluis van het tankstation waar hij werkzaam was, en dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het standpunt van appellant dat betrokkene de ter zake geldende afspraken niet is nagekomen. Voorts heeft appellant volgens de rechtbank nagelaten vast te stellen welke regels golden voor het aannemen van personeel en het beantwoorden van e-mails en in welke concrete gevallen betrokkene daaraan niet voldeed, terwijl de werkgever er reeds voor de contractverlenging van op de hoogte was dat betrokkene in oktober en november 2003 enkele dagen gedetineerd was geweest. De rechtbank heeft derhalve geconcludeerd dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene jegens de werkgever laakbaar heeft gehandeld, waardoor zijn contract niet is verlengd. Volgens de rechtbank heeft appellant dan ook betrokkene ten onrechte een WW-uitkering geweigerd wegens werkloosheid als gevolg van het door eigen toedoen niet behouden van passende arbeid. Mitsdien is het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

4. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Daartoe is aangevoerd dat uit telefonisch contact met de werkgever is gebleken dat betrokkene op de hoogte was, althans op de hoogte behoorde te zijn, van de strikte regel dat de geldkoffer pas op de ochtend dat deze door Geldnet wordt opgehaald mocht worden klaar gezet en beslist niet de avond daarvoor, zoals betrokkene placht te doen. Aangezien betrokkene zich niet aan deze regel heeft gehouden, heeft appellant naar zijn mening terecht besloten de WW-uitkering blijvend geheel te weigeren. Voorts wordt aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien. Dat het onderzoek in de visie van de rechtbank niet volledig is geweest, neemt volgens appellant niet weg dat een aanvullend onderzoek alsnog de benodigde duidelijkheid zou kunnen verschaffen en toch weer tot de conclusie kan leiden dat de weigeringsgronden verwijtbare werkloosheid en door eigen toedoen geen passende arbeid behouden van toepassing zijn.

4.1. Betrokkene blijft zich in hoger beroep op het standpunt stellen dat hem geen verwijt kan worden gemaakt van het voorval met betrekking tot de geldkoffer omdat een handleiding terzake van het klaarzetten van de koffer hem onbekend was, terwijl hem evenmin een instructie ter zake is verstrekt. Tijdens een vergadering met stationmanagers op 23 maart 2004 is uitsluitend door de regiodirecteur toegezegd dat met Geldnet contact zou worden opgenomen over het ophalen van de geldkoffer uit de kluis op een dinsdag na 9.00 uur, terwijl dat in de praktijk altijd geschiedde vůůr dat tijdstip zodat de koffer reeds op de maandagavond ervoor klaar gezet werd. Voorts wordt gesteld dat in de brief waarin wordt medegedeeld dat zijn contract niet wordt verlengd, niet wordt vermeld dat hij de instructies met de betrekking tot de geldkoffer niet zou hebben opgevolgd.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Gelet op de voorhanden gedingstukken en de vaststaande feiten is de Raad van oordeel dat in een geval als het onderhavige, waarin betrokkene, wegens een hem verweten gedraging die evident als verwijtbaar jegens de werkgever is aan te merken, geen verlenging van het arbeidscontract werd aangeboden, appellant in het bestreden besluit zich terecht primair op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene zich jegens zijn werkgever verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beŽindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben.

5.2. In dit verband stelt de Raad vast dat betrokkene, die met ingang van 1 januari 2004 was benoemd tot stationsmanager, onder meer de verantwoordelijkheid droeg voor de naleving van de veiligheidsvoorschriften bij het tankstation. Ter zake is in de arbeidsovereenkomst uitdrukkelijk bepaald dat de werknemer de door de werkgever aan hem verstrekte voorschriften (zoals omschreven in het VGWM management systeem handboek voor [werkgever]), waaronder die inzake veiligheid, milieu en administratieve procedures op en rond tankstations, personeel en cliŽntŤle, strikt zal naleven. Met betrekking tot de procedure voor het ophalen van de geldkoffers is tijdens een vergadering van stationsmanagers op 23 maart 2004, waarbij ook betrokkene aanwezig was, nogmaals benadrukt dat de geldkoffer niet reeds op maandagavond klaar gezet mocht worden omdat deze pas op dinsdag na 09.00 uur door Geldnet zou worden opgehaald en dat over deze afspraak door de directeur met Geldnet contact zou worden opgenomen. Indien Geldnet zich na 23 maart 2004 niet aan deze afspraken zou hebben gehouden, had het op de weg van betrokkene gelegen als verantwoordelijk stationmanager hierover opnieuw contact met zijn werkgever op te nemen dan wel Geldnet te verzoeken om dinsdags na 09.00 uur terug te komen voor het ophalen van de koffier. Nu betrokkene in afwijking van de ter zake geldende voorschriften en in strijd met de gemaakte afspraken de geldkoffer op maandagavond klaar heeft gezet en in de nacht van maandag op dinsdag 22 juni 2004 een inbraak heeft plaatsgevonden, heeft hij zich ook naar het oordeel van de Raad jegens zijn werkgever verwijtbaar zodanig gedragen dat hij heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beŽindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. Mitsdien heeft appellant de WW-uitkering aan betrokkene op die grond dan ook terecht blijvend geheel geweigerd.

5.3. Naar aanleiding van hetgeen namens betrokkene ter zitting is aangevoerd met betrekking tot het feit dat hij niet in de gelegenheid is geweest te reageren op de door appellant na de hoorzitting in de bezwaarfase verkregen gegevens van de werkgever overweegt de Raad het volgende. Blijkens de door appellant gemaakte telefoonnotitie van het gesprek met de werkgever, dat na de hoorzitting heeft plaatsgevonden, zijn hierin geen (essentiŽle) nieuwe feiten of omstandigheden gesteld die appellant niet reeds eerder bekend waren en week de verklaring van de werkgever niet af van de reeds beschikbare gegevens. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat betrokkene niet in zijn processuele belangen is geschaad door hem niet opnieuw met de reeds bekende gegevens te confronteren, terwijl hij bovendien in de gelegenheid is geweest daarop in beroep en in hoger beroep te reageren. De Raad ziet hierin dan ook geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit om die reden niet in stand zou kunnen blijven.

5.4. Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.D.F. de Moor.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x