Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AY4129
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Terugvordering van het voorschot op de WW-uitkering. De redelijke termijn vangt pas aan op het moment dat er sprake is van een geschil.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/7235 WW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 8 november 2005, 04/1175 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2006. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. S.T. Dieters, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Bij besluit van 7 mei 2004 heeft het Uwv het over de periode 5 augustus 2002 tot en met 15 september 2002 betaalde voorschot op de WW-uitkering ten bedrage van 3.000,-- van appellante teruggevorderd.

2.2. De daartegen door appellante ingediende bezwaren zijn bij besluit van 6 oktober 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. In hoger beroep voert appellante (wederom) aan dat ten onrechte tot terugvordering van het voorschot is overgegaan. Volgens haar is het voorschot terecht verleend. Voorts stelt appellante dat artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur terugvordering in de weg staan, waarbij zij wijst op de termijn die het Uwv heeft laten verstrijken voordat tot terugvordering is overgegaan.

5. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het Uwv terecht tot terugvordering van het over het tijdvak 5 augustus 2002 tot en met 15 september 2002 betaalde voorschot is overgegaan. De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend.

5.1. Het besluit van 31 oktober 2002, waarin is geweigerd aan appellante een WW-uitkering toe te kennen, is, tengevolge van de tussen partijen gewezen uitspraak van deze Raad van 16 februari 2006, LJN AV2645, in rechte onaantastbaar geworden. Hiermee staat vast dat het over het tijdvak 5 augustus 2002 tot en met 15 september 2002 betaalde voorschot onverschuldigd is betaald.

5.2 Op grond van artikel 36, eerste lid, van de WW is het Uwv gehouden het onverschuldigd betaalde voorschot van appellante terug te vorderen. Slechts indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uwv, op grond van het vierde lid van deze bepaling, geheel of gedeeltelijk van terugvordering afzien. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 8 december 2004, LJN AR7397, RSV 2005/90 levert vertraging in de besluitvorming geen dringende reden als hier bedoeld op.

5.3. De Raad is van oordeel dat appellante niet kan worden gevolgd in het standpunt dat het Uwv, door na het besluit van 31 oktober 2002 ruim anderhalf jaar te wachten met terugvordering van het voorschot, artikel 6, eerste lid, van het EVRM heeft geschonden. Zoals de Raad te kennen heeft gegeven in zijn uitspraak van 7 juni 2000, LJN AA7189, JB 2000/229, vangt de redelijke termijn als bedoeld in dit artikel pas aan op het moment dat sprake is van een geschil, dat wil zeggen dat tenminste een standpunt omtrent de terugvordering kenbaar is gemaakt en kan worden aangenomen, of duidelijk is gemaakt, dat de wederpartij het daarmee niet eens is en zich daartegen in rechte wilde verzetten. In het onderhavige geschil vangt die termijn aan op 14 mei 2004, de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend tegen het besluit van 7 mei 2004.

5.4. De Raad ziet in het voornoemde tijdsverloop voorts geen grond voor het oordeel dat het Uwv wegens strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel, had moeten afwijken van de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 36, eerste lid, van de WW.

6. Het hoger beroep van appellante treft derhalve geen doel, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x