Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AY4136
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid. Het was voorzienbaar dat het gedrag jegens de werkgever ontslag tot gevolg zou kunnen hebben.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/4933 WW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 12 juli 2005, 04/2634 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. D.T. Stoof, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2006. Namens appellant is verschenen mr. P.P.J. van der Rijt, kantoorgenoot van mr. Stoof, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Reitsma, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Appellant is vanaf 1 januari 1987 werkzaam geweest bij (de rechtsvoorganger van) [de werkgever] (hierna: de werkgever), laatstelijk in de functie van plant integrity specialist. Na een incident op 18 december 2003 heeft de werkgever appellant op 20 februari 2004 een disciplinaire maatregel opgelegd wegens het valselijk invullen van een vrachtbrief, het zich laten betalen van Ä 195,-- en het schenden van binnen het bedrijf van de werkgever geldende afspraken. Daarbij is tevens aangegeven dat de werkgever bij herhaling van een soortgelijk incident tot beŽindiging van de arbeidsovereenkomst zou overgaan. Op 2 april 2004 heeft zich opnieuw een incident voorgedaan, toen appellant - naar zijn zeggen abusievelijk - een telefoonhaspel die aan de werkgever toebehoorde heeft meegenomen en deze voordat hij het bedrijfsterrein verliet in de fietsenstalling heeft achtergelaten in verband met een dreigende controle door beveiligingsmedewerkers. Nadat de haspel door de werkgever is gevonden, is appellant door zijn werkgever over zijn gedraging in een viertal gesprekken aangesproken, waarbij hij niet onmiddellijk openheid van zaken heeft gegeven en pas in de aanwezigheid van een raadsman de gedraging heeft erkend. Nadat appellant door zijn werkgever per 29 april 2004 met onbetaald verlof is gestuurd, heeft de werkgever bij de kantonrechter een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend op grond van gewichtige redenen. Bij beschikking van 1 juli 2004 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 oktober 2004 ontbonden, zonder toekenning van een vergoeding aan appellant.

2.2. Op 12 oktober 2004 heeft appellant een uitkering ingevolge de WW aangevraagd. Bij besluit van 20 oktober 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 16 december 2004, heeft het Uwv de uitkering aan appellant met ingang van 11 oktober 2004 bij wijze van maatregel blijvend geheel geweigerd. Daartoe is overwogen dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden omdat hij zich zo heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen, dat zijn gedrag de beŽindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. In dat verband is aangegeven dat de werkgever het vertrouwen in appellant heeft verloren nadat, na het incident van 18 december 2003 waarvoor hem een disciplinaire straf is opgelegd, zich op 2 april 2004 wederom een incident heeft voorgedaan, waarover appellant aan de werkgever pas na een aantal gesprekken de waarheid heeft verteld.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat het niet vertellen van de waarheid van het voorval op 2 april 2004 ten overstaan van de werkgever is aan te merken als een gedraging die appellant kan worden verweten. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat het voor appellant duidelijk kon zijn dat dit verhullen van de waarheid zou kunnen leiden tot het einde van zijn dienstverband. In dit verband heeft de rechtbank het van belang geacht dat aan appellant reeds eerder, in verband met het incident van 18 december 2003 - waarbij eveneens de integriteit van appellant in het geding was - in februari 2004 een disciplinaire maatregel is opgelegd. Appellant was mitsdien op de hoogte van het feit dat zijn werkgever erg veel belang hechtte aan integriteit en betrouwbaarheid van de werknemers. Volgens de rechtbank kon appellant aldus voorzien dat het niet vertellen van de waarheid met betrekking tot het incident op 2 april 2004 zijn werkgever zou nopen tot een ferme reactie, waaronder beŽindiging van zijn dienstverband. Het had volgens de rechtbank dan ook op de weg van appellant gelegen om hierover van meet af aan openheid te geven om daarmee een vertrouwensbreuk en ontslag te voorkomen. Mitsdien heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank terecht vastgesteld dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en op die grond de uitkering blijvend geheel geweigerd.

4. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Daartoe is aangevoerd dat de beschikbare gegevens onvoldoende grondslag bieden voor het standpunt van het Uwv dat hij verwijtbaar werkloos is geworden. Met betrekking tot het voorval op 2 april 2004 is hij in paniek geraakt en heeft hij de telefoonhaspel in de fietsenstalling achtergelaten, maar is hij geenszins van plan geweest enig goed van zijn werkgever te ontvreemden. Hij stelt dat hij, omdat hij bang was te worden ontslagen wanneer hij dit voorval zou melden, hierover in eerste instantie zijn mond heeft gehouden. Appellant stelt dat hij, gelet op zijn lange en goede staat van dienst, niet had kunnen voorzien dat door het voorval een vertrouwensbreuk met zijn werkgever zou ontstaan die een ontslag ten gevolge zou hebben.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.2. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank dient te worden gevolgd in haar oordeel dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder a, van de WW en of het Uwv in verband hiermee de uitkering terecht blijvend geheel heeft geweigerd.

5.3. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak. Naar aanleiding van hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd, voegt de Raad daaraan het volgende toe. Vast staat dat appellant van het incident met de telefoonhaspel op 2 april 2004 niet onmiddellijk openheid van zaken heeft gegeven en pas na enige gesprekken met de werkgever een verklaring voor zijn gedrag heeft gegeven. Nu appellant reeds eerder een disciplinaire maatregel was opgelegd in verband met een ernstige schending van de gedragsregels binnen het bedrijf, had hij er zich van bewust dienen te zijn dat hij zich in een kwetsbare positie bevond en dat hij, door het niet onmiddellijk vertellen van de waarheid, het vertrouwen van zijn werkgever zou beschamen. Dat appellant in een paniekreactie heeft gehandeld en nimmer voornemens is geweest enig goed bij zijn werkgever te ontvreemden, doet niet af aan het feit dat zijn gedrag - ondanks zijn lange en goede staat van dienst - jegens zijn werkgever verwijtbaar wordt geacht en dat het voor hem voorzienbaar was dat dit gedrag ontslag tot gevolg zou kunnen hebben. Voor het standpunt dat de panieksituatie heeft voortgeduurd en dat hij daardoor niet eerder in staat was openheid van zaken te geven, zoals namens hem is betoogd, heeft de Raad onvoldoende objectieve gegevens aangetroffen. Mitsdien heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en is op die grond de WW-uitkering blijvend geheel geweigerd. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou dienen te worden geoordeeld dat de gedraging van appellant hem niet in overwegende mate kan worden verweten.

5.4. Op grond van het vorenstaande komt de Raad dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en C.P.J. Goorden en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x