Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AY4293
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 15-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Blijvend gehele weigering WW-uitkering op grond van verwijtbare werkloosheid, gelegen in het door eigen toedoen niet behouden van passende arbeid.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/7307 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. J.J. Achterveld, werkzaam bij Rechtshulp Noord te Leeuwarden, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Leeuwarden op 30 november 2004, nr. 04/597 WW, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop appellant heeft gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van 1 februari 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Achterveld voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A.W. Froentjes, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Appellant is met ingang van 1 februari 2003 als tandtechnicus in dienst getreden van Tandprothetische Praktijk E.B. Mastenbroek VOF (hierna: de werkgever) te Wolvega. Voordien was hij ruim 30 jaar als tandtechnicus werkzaam geweest in het Academisch Centrum voor Tandheelkunde te Amsterdam.
Op verzoek van de werkgever heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen appellant en de werkgever ontbonden met ingang van 1 december 2003.
Op 11 december 2003 heeft appellant een uitkering ingevolge de WW aangevraagd bij gedaagde.
Bij besluit van 27 januari 2004 heeft gedaagde deze uitkering blijvend geheel geweigerd op grond van verwijtbare werkloosheid, gelegen in het door eigen toedoen niet behouden van passende arbeid.

Bij het bestreden besluit van 19 april 2004 heeft gedaagde zijn besluit tot blijvend gehele weigering van de WW-uitkering met ingang van 1 december 2003 gehandhaafd. Gedaagde heeft aan het bestreden besluit verwijtbare werkloosheid in de zin van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder a, subsidiair onder b, van de WW ten grondslag gelegd. Ingevolge dit samenstel van bepalingen is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien: a. hij zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beŽindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben, of b. de dienstbetrekking eindigt of is beŽindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden, dat die voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog daarbij dat appellant blijkens de overgelegde stukken door de werkgever diverse malen is aangesproken op zijn werkwijze en houding, maar dat hij deze niet heeft verbeterd en op de oude, door de werkgever niet gewenste voet is verder gegaan. Naar het oordeel van de rechtbank had appellant gevolg moeten geven aan de wensen van zijn werkgever. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat dit op een aantal punten op redelijk eenvoudige wijze mogelijk was. Nu appellant dat niet heeft gedaan had hij naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs kunnen begrijpen dat zijn gedrag de beŽindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben en is appellant de verplichting uit artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW niet nagekomen. Van verminderde verwijtbaarheid was naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de werkgever een geheel eigen, niet gebruikelijke manier van werken had en voor hem - appellant - nieuwe materialen gebruikte, maar afspraken over bijscholing op dat punt niet is nagekomen. Hij heeft verder aangevoerd dat het voor hem na 30 jaar niet eenvoudig was om zich een andere werkwijze eigen te maken, maar dat hij er alles aan heeft gedaan om aan de wensen van de werkgever te voldoen. Appellant heeft gesteld daarin ook geslaagd te zijn, hetgeen naar zijn mening blijkt uit de zogenoemde voortgangsdocumenten, waarin sommige punten van kritiek niet terugkeren en op andere punten uitdrukkelijk blijkt van verbetering.

In hoger beroep ligt de vraag voor of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad overweegt daartoe het volgende.

Uit de door appellant genoemde en door hem getekende voortgangsdocumenten van 22 augustus 2003, 9 september 2003, 15 september 2003 en 19 september 2003 blijkt dat de werkgever hem op die dagen heeft aangesproken op zijn werkwijze en houding. Het ging daarbij om het maken van lepels, het maken van gipsmodellen, het niet aan meerdere werkstukken tegelijk werken, het ter harte nemen van aanwijzingen van de werkgever en het assisteren van zijn collega wanneer appellant weinig werk had. Verder is appellant erop aangesproken dat modellen zoek raakten of kapot gingen, dat hij zijn werkstukken in de verkeerde bakjes deed, teveel tijd nodig had voor de reparaties, experimenteerde, niet luisterde en op eigen houtje oplossingen bedacht in plaats van vragen te stellen. In het voortgangsdocument van 15 september 2003 staat weliswaar dat de reparaties er veel beter uitzien en dat de lepels de juiste hoogte hebben, maar op de andere onderdelen blijkt niet van verbetering.
De werkgever heeft desgevraagd op 27 januari 2004 telefonisch aan gedaagde verklaard dat appellants houding niet verbeterde en dat appellant een gebrek aan motivatie en inzet toonde. Naar aanleiding van de hoorzitting, waar appellant heeft betoogd de hem gemaakte verwijten niet te begrijpen, heeft gedaagde de werkgever nogmaals om een verklaring gevraagd. De werkgever heeft toen wederom verklaard dat appellant, ondanks het feit dat hem herhaaldelijk was voorgedaan hoe hij moest werken, op de oude voet doorging, dat de aangegeven punten niet verbeterden en dat hij aanpassingsmoeilijkheden had.

Gelet op deze feiten en omstandigheden is de Raad met gedaagde en de rechtbank van oordeel dat appellant zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beŽindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat niet gebleken is dat het voor appellant niet mogelijk was om te voldoen aan de wensen van zijn werkgever of dat de werkgever onredelijke eisen stelde. Appellant heeft zowel in eerste aanleg als ter zitting van de Raad immers uitdrukkelijk verklaard dat hij het werk technisch aankon. Verder acht de Raad van betekenis dat appellant de voortgangsdocumenten alle heeft ondertekend zonder daarbij de kanttekening te maken dat hij het met de inhoud ervan niet of niet geheel eens was. Ter zitting van de Raad heeft appellant weliswaar verklaard dat hij onder druk van fysiek geweld tot ondertekening is overgegaan, maar de Raad kent aan die verklaring geen doorslaggevende betekenis toe, nu aan de waarde ervan moet worden getwijfeld, gelet op het late tijdstip waarop zij is afgelegd en daarvoor evenmin enige onderbouwing is gegeven.

Appellant heeft naar het oordeel van de Raad geen omstandigheden aangevoerd die het oordeel rechtvaardigen dat hem van het niet naleven van de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW neergelegde verplichting niet in overwegende mate een verwijt kan worden gemaakt. Voor het matigen van de opgelegde maatregel bestond dan ook geen aanleiding.
Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H.G. Rottier en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Zoelen-Altunc als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2006.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) B. van Zoelen-Altunc.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x