Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AY4797
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid. Weigering om te werken op zaterdag wegens geloofsovertuiging.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/5513 WW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 juli 2005, 05/1226 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2006. Voor appellant is verschenen mr. A.T. Eisenmann, advocaat te Amstelveen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Appellant was sedert 16 februari 2000 als verkoper Schiphol werkzaam bij [naam werkgever] te [vestigingsplaats] (hierna: de werkgever). Appellant werkte in wisseldienst volgens een rooster waarbij hij ťťn keer in de twee weken op zaterdag en zondag moest werken.
Op 20 april 2004 heeft appellant aan de werkgever meegedeeld dat hij in verband met zijn geloofsovertuiging niet meer op de zaterdag wilde werken. De werkgever heeft bij brief van diezelfde datum te kennen gegeven niet in staat of bereid te zijn aan de wens van appellant tegemoet te komen. Voorts heeft de werkgever meegedeeld dat het niet verschijnen op het werk als werkweigering zal worden aangemerkt. Appellant is, zoals bij brief van zijn gemachtigde van 23 april 2004 was aangekondigd, op zaterdag 24 april 2004 niet op het werk verschenen. De werkgever heeft appellant bij brief van 28 april 2004 een officiŽle waarschuwing gegeven en appellant er op gewezen dat indien appellant op 8 mei 2004 weer niet zou verschijnen mogelijk ontslag zou volgen. Appellant is op 8 mei 2004 wederom niet op het werk verschenen. De werkgever heeft appellant op 9 mei 2004 op staande voet ontslagen.
Bij beschikking van 2 juli 2004 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst van appellant met de werkgever - voor zover deze nog bestond - met ingang van 1 augustus 2004 ontbonden.

3. Op 2 augustus 2004 heeft appellant een aanvraag ingediend voor een WW-uitkering.
Bij besluit van 19 augustus 2004 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat het recht op WW-uitkering met ingang van 1 augustus 2004 blijvend geheel wordt geweigerd, omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Daartoe heeft het Uwv overwogen dat appellant had kunnen weten dat zijn gedrag, het tweemaal zonder toestemming niet verschijnen op het werk, tot ontslag zou leiden.

4. Bij het bestreden besluit van 25 november 2004 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 19 augustus 2004 ongegrond verklaard.

5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe het standpunt van het Uwv, neergelegd in het bestreden besluit, onderschreven.

6. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn geloofsovertuiging hem bracht tot de beslissing om niet meer te werken op vrijdagavond en zaterdag. In deze procedure staat volgens appellant niet ter discussie dat het aanhangers van de joodse godsdienst verboden is om werkzaamheden op die tijden te verrichten. Het Uwv was gehouden dit mee te wegen in zijn oordeel. Daar waar grondwettelijk een ieder aanspraak kan maken op bescherming van zijn geloofsovertuiging is het niet aan het Uwv om het gedrag van appellant voortvloeiende uit die beslissing om zijn geloofsovertuiging intensiever te gaan naleven als verwijtbaar te bestempelen.

7. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel over het bestreden besluit.

7.1. Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien hij zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beŽindiging van de dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. Onder 'verwijtbaar gedrag' moet worden verstaan 'verwijtbaar jegens de werkgever'.

7.2. In artikel 6.2 van de arbeidsovereenkomst van appellant is opgenomen:
ďWerknemer werkt in wisseldienst volgens rooster. De werktijden volgens rooster zullen door of namens de werkgever worden vastgesteld en tijdig aan werknemer bekend worden gemaaktĒ. In artikel 6.3 van de arbeidsovereenkomst is bepaald dat het de werknemer niet is toegestaan zijn werktijden te wijzigen of te ruilen zonder uitdrukkelijke voorafgaande toestemming van of namens de werkgever.

7.3. Vast staat dat de werkgever het verzoek van appellant om niet meer te worden ingeroosterd op de vrijdagavond en de zaterdag niet heeft gehonoreerd. Appellant had derhalve, gelet op de tussen hem en de werkgever afgesloten arbeidsovereenkomst, op de ingeroosterde zaterdagen dienen te werken. Appellant is, ondanks dat hij door de werkgever was gewaarschuwd, op zaterdag 24 april 2004 en zaterdag 8 mei 2004 niet op het werk verschenen. Daarmee heeft appellant gehandeld in strijd met het bepaalde in de arbeidsovereenkomst. De Raad is van oordeel dat appellant, mede gelet op de waarschuwingen van zijn werkgever, redelijkerwijs kon voorzien dat ontslag zou volgen indien hij niet zou verschijnen en dat appellant, door ondanks de waarschuwingen van de werkgever niet op de werkplek te verschijnen op tijdstippen dat hij daartoe verplicht was, zich verwijtbaar jegens de werkgever heeft gedragen, zodat hij verwijtbaar werkloos is geworden.

7.4. De stelling van appellant dat de onderhavige besluitvorming in strijd is met het in artikel 6, eerste lid, van de Grondwet neergelegde recht zijn godsdienst vrij te belijden, slaagt niet. Naar het oordeel van de Raad vormt de toepassing die het Uwv aan de vermelde bepalingen terzake van verwijtbare werkloosheid heeft gegeven geen belemmering voor de vrije uitoefening van dat recht.

7.5. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, inzake de vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2006.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) P.W.J. Hospel.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x