Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AY4805
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Het besluit dient te worden aangemerkt als een weigering om terug te komen van een eerder genomen besluit. Er zijn geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/1603 WW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 februari 2005, 03/4693 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2006. Voor appellant is verschenen mr. H. Stoppelenburg, advocaat te Amsterdam. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, als vaststaand aangenomen, feiten en omstandigheden.

2.1. Op 28 november 2002 heeft appellant bij het Uwv een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 18 maart 2003 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 15 november 2002 de gevraagde uitkering toegekend.

2.2. Bij brief van 9 april 2003 heeft mr. Stoppelenburg namens appellant het Uwv verzocht bij de beoordeling van de WW-aanvraag van appellant uit te gaan van 4 september 2002 als eerste werkloosheidsdag. Uit die brief blijkt - hetgeen ter zitting van de Raad is bevestigd - dat mr. Stoppelenburg het besluit van 18 maart 2003, waarvan niet door appellant wordt betwist dat het op juiste wijze is bekendgemaakt, toen niet kende. Bij besluit van 21 mei 2003 heeft het Uwv, onder meezending van een afschrift van het besluit van 18 maart 2003, meegedeeld het besluit van 18 maart 2003 te handhaven. Bij brief van 27 mei 2003 is namens appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 mei 2003. Bij besluit van
26 augustus 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 21 mei 2003 ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd.

2.3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit inhoudelijk beoordeeld. Zij heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het Uwv zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellant pas met ingang van 15 november 2002 aan de in artikel 16, eerste lid, van de WW neergelegde voorwaarden voldeed, zodat appellant pas met ingang van 15 november 2002 als werkloos in de zin van dat artikel kon worden aangemerkt. Om die reden heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1. De Raad is ambtshalve van oordeel dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan worden gelaten. Bij het besluit van 21 mei 2003 heeft het Uwv een eerder genomen besluit van 18 maart 2003 gehandhaafd, zodat dat besluit (van 21 mei 2003) naar het oordeel van de Raad dient te worden aangemerkt als een weigering om terug te komen van een eerder genomen besluit. Gelet op de bewoordingen van het bezwaarschrift van 27 mei 2003 heeft het Uwv dat bezwaar op goede gronden gericht geacht tegen het besluit van 21 mei 2003. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv de zaak in haar geheel opnieuw beoordeeld, hetgeen echter niet tot een andere uitkomst heeft geleid.

3.2. Zoals de Raad reeds meermalen heeft uitgesproken, is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd om, na een eerder genomen besluit op een aanvraag, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid het eerder genomen besluit handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zo’n geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

3.3. De rechtbank heeft het voorgaande niet onderkend en het bestreden besluit ten volle beoordeeld. De aangevallen uitspraak kan derhalve niet in stand worden gelaten.

3.4. Uit de gedingstukken is de Raad niet gebleken van het bestaan van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Noch in de brief van 9 april 2003, noch in het bezwaarschrift is op het bestaan daarvan een beroep gedaan. De Raad is dan ook van oordeel dat het Uwv bevoegd was om bij het besluit van 21 mei 2003 het eerder genomen besluit van 18 maart 2003 te handhaven. In hetgeen door appellant is gesteld ziet de Raad geen grond te oordelen dat het Uwv niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen, zodat het bestreden besluit, waarbij het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 mei 2003 ongegrond is verklaard, in rechte stand kan houden en het beroep daartegen, zij het op andere gronden dan neergelegd in de aangevallen uitspraak, ongegrond dient te worden verklaard.

4. Gelet op het voorgaande ziet de Raad aanleiding het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-- ter zake van kosten van rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 103,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2006.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) P.W.J. Hospel.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x