Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AY4823
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Overneming van de betalingsverplichtingen van de werkgever na faillissement. Vaststelling van de over te nemen niet-genoten vakantie-uren.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/4176 WW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 30 mei 2005, 04/993 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. R.A. Severijn, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2006. Appellante en haar gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden, voor zover in hoger beroep nog van belang.

2.1. Appellante was sedert 23 november 1998 werkzaam als logistiek medewerker bij de [naam werkgever], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: de werkgever). De werkgever is op 29 juli 2003 failliet verklaard. Aan appellante is door de curator op 31 juli 2003 per 31 augustus 2003 ontslag aangezegd. Appellante was reeds per 2 juni 2003 op non-actief gesteld. Appellante heeft het Uwv verzocht om overname van betalingsverplichtingen als bedoeld in artikel 61 e.v. van de WW. Bij besluit van 10 februari 2004 heeft het Uwv een aantal betalingsverplichtingen van de werkgever overgenomen, zoals op de bij dit besluit gevoegde specificatie is aangegeven, waaronder een aantal van 5,605 dagen in verband met door appellante niet opgenomen vakantiedagen.

2.2. Appellante heeft onder andere tegen laatstvermeld deel van dit besluit bezwaar gemaakt, waarbij zij heeft aangegeven dat naar haar mening het aantal uit te betalen vakantiedagen hoger zou moeten zijn.

2.3. Bij besluit van 19 juli 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar in zoverre gegrond verklaard, dat aan appellante nog 4,373 dagen vergoed worden, en het bezwaar (met betrekking tot de niet opgenomen vakantiedagen) voor het overige ongegrond verklaard.

2.4. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij heeft zij onder meer aangevoerd, dat het Uwv ten onrechte 88 vakantie-uren als in juni 2003 opgenomen vakantie heeft aangemerkt: zij heeft weliswaar in juni 2003 11 dagen op Kreta verbleven, maar dit betrof geen van te voren ingeroosterde vakantie, maar een verblijf dat (plotseling) noodzakelijk was wegens familieomstandigheden en deze periode viel voorts samen met de op non-actief stelling, zodat de werkgever de vakantie niet conform de desbetreffende regels van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft kunnen vaststellen. Eveneens ten onrechte heeft het Uwv in de periode juli/augustus 2003 80 uur als reeds opgenomen vakantie-uren aangemerkt: het betrof hier een eenzijdig door de werkgever vastgestelde verplichte collectieve vakantieperiode. Een dergelijke eenzijdige vaststelling (gedurende een periode van op-non-actiefstelling) is volgens appellante in strijd te achten met artikel 7:638 van het BW, omdat daarin is neergelegd dat met de wensen van de werknemer rekening wordt gehouden.

3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank - verkort weergegeven - geoordeeld, dat het bij de overnameregeling slechts gaat om overname van civielrechtelijke verplichtingen, die jegens de werkgever geldend kunnen of konden worden gemaakt. Wat betreft de 88 uur die over juni 2003 door het Uwv in aanmerking zijn genomen, heeft de rechtbank erop gewezen, dat uit een brief van 4 juni 2003 van de werkgever aan appellante blijkt dat de werkgever geen bezwaar had tegen “de geplande reis naar Kreta”. Dat deze reis niet puur voor vakantiedoeleinden diende noch het gegeven dat deze plaatsvond tijdens de periode van op-non-actiefstelling, doet aan het karakter van (opgenomen) vakantie af. Met betrekking tot de periode juli/augustus heeft de rechtbank erop gewezen, dat de werkgever krachtens de arbeidsovereenkomst van appellante een collectieve vakantie van maximaal drie weken mocht vaststellen, welke voor het jaar 2003 blijkens een brief aan het personeel van 17 december 2002 tijdig (voor juli/augustus) was aangekondigd. Gemotiveerde verzoeken om ontheffing konden aan de directie worden voorgelegd. Mede gelet op het feit dat appellante geen verzoek om ontheffing had ingediend heeft de rechtbank geoordeeld, dat het Uwv (ook) de met deze bedrijfsvakantie samenhangende uren op goede gronden van het tegoed van appellante heeft afgetrokken.

4. Appellante heeft in hoger beroep grotendeels het gestelde in eerste aanleg herhaald. Het Uwv heeft in verweer onder meer betoogd dat de rechtbank appellante niet-ontvankelijk had dienen te verklaren wat betreft haar verzoek om overname van de 88 uren van juni 2003, omdat zij daarover in bezwaar niet had gerept.

5. De Raad oordeelt als volgt.

5.1. De Raad merkt allereerst met betrekking tot de hiervoor weergegeven stelling van het Uwv op, dat het bezwaar van appellante haar aanspraak op overname van niet opgenomen vakantie-uren als zodanig betreft; weliswaar heeft appellante in bezwaar niet met zoveel woorden de uren betreffende de periode juni 2003 genoemd, maar haar bezwaar omvat nu het de vaststelling van de over te nemen niet-genoten vakantie-uren betreft, derhalve ook deze uren.

5.2. Het hoger beroep beperkt zich als aangegeven tot de volgens appellante ten onrechte afgeboekte 88 uur over juni 2003 en de 80 uur over juli/augustus 2003.

5.3. Met betrekking tot eerstbedoelde uren overweegt de Raad als volgt. Uit de eerder genoemde brief van 4 juni 2003 van de werkgever blijkt, dat appellante -kennelijk al voor de op-non-actiefstelling- had besloten naar Kreta te gaan en terzake zelf om vakantieverlof heeft verzocht, waarmee de werkgever heeft ingestemd. Nu niet in geschil is dat appellante in de bedoelde periode daadwerkelijk op Kreta heeft verbleven, is sprake van een conform de regels van het BW opgenomen vakantie. Dat de reden voor dit verblijf (mede) was gelegen in familieomstandigheden doet daaraan niet af. Evenmin doet daaraan af dat dit verblijf samenviel met de op-non-actiefstelling, nu appellante immers uitdrukkelijk overeenkomstig haar eigen wens - ook al heeft zij na ontvangst van de brief van 4 juni 2003 geen officieel verzoek meer bij de werkgever ingediend - verlof heeft genoten. Dat geen sprake was van een van te voren ingeroosterde vakantie zoals appellante heeft gesteld, is niet doorslaggevend te achten, nu de vakantieregeling van het BW een dergelijke eis niet kent.

5.4. Met betrekking tot de 80 uur van de bedrijfsvakantie merkt de Raad op, dat de arbeidsovereenkomst van appellante bepaalt dat de werkgever gerechtigd is om een verplichte collectieve vakantie vast te stellen in de hier bedoelde periode. Deze is, zoals artikel 7:638 BW eist, blijkens de hiervoor genoemde brief van 17 december 2002 voor het jaar 2003 voldoende tijdig aangekondigd. Een dergelijke vaststelling is krachtens artikel 7:638, tweede lid, van het BW toegestaan, waarbij de gewichtige redenen als aldaar bedoeld in dit geval gelegen waren in het gegeven dat het bedrijf voornamelijk voor de bouw werkte. Anders dan appellante meent stelt het BW daarbij niet de eis dat sprake is van een (volledige) bedrijfssluiting. Dat tevens met de wensen van de werknemers rekening kon worden gehouden, blijkt uit het gegeven dat om ontheffing van de verplichte vakantie kon worden gevraagd. Uit de gedingstukken valt op te maken dat dergelijke verzoeken (soms) werden gehonoreerd. Vastgesteld moet worden dat appellante geen verzoek tot ontheffing heeft ingediend en dat zij ook overigens de werkgever in noch buiten rechte heeft aangesproken in verband met het haars inziens ten onrechte afboeken van vakantietegoed.

6. Het voorgaande betekent, dat het Uwv met recht de eerstbedoelde 88 uur alsmede de 80 uur van de bedrijfsvakantie op het vakantietegoed van appellante in mindering heeft gebracht. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht omtrent een vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.D.F. de Moor.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x