Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AY5528
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 26-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verlaging van de WW-uitkering en de bovenwettelijke uitkering met 20% gedurende zestien weken op de grond dat betrokkene in de periode in geding in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/4926 WW en 05/4927 WW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], Noorwegen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ís-Gravenhage van 30 juni 2005, 05/3591, 05/3592 en 05/3593 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

1. de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
2. de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: Minister).

Datum uitspraak: 26 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. G.F. Kortooms, werkzaam bij de Koninklijke Nederlandse Toonkunstenaars Vereniging, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv en de Minister hebben zich doen vertegenwoordigen door mr. C. van den Berg, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant, die is afgestudeerd aan het conservatorium, is met ingang van 1 augustus 2002 als leraar in dienst getreden bij de Vereniging voor Christelijk Voortgezet Onderwijs te Rotterdam en Omgeving. Deze arbeidsovereenkomst is van rechtswege geŽindigd op 1 augustus 2004. Aan appellant is vervolgens met ingang van 9 augustus 2004 een WW-uitkering, alsmede een bovenwettelijke uitkering op grond van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs, toegekend.

2.2. Bij besluiten van 10 januari 2005 zijn de WW-uitkering en de bovenwettelijke uitkering van appellant met ingang van 6 december 2004 gedurende 16 weken verlaagd met 20% op de grond dat appellant in de periode 1 november 2004 tot en met 5 december 2004 in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen. Het door appellant tegen deze besluiten ingediende bezwaar is bij de bestreden besluiten van 18 mei 2005 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: de rechtbank), met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat appellant zich te beperkt heeft opgesteld door zich bij het solliciteren vooral te richten op functies als musicus, bastubaÔst in het bijzonder, terwijl van hem redelijkerwijs kon worden gevergd dat hij zich mede zou richten op passende functies in het onderwijs.

4. In hoger beroep bestrijdt appellant het oordeel van de rechtbank. Volgens hem zijn opvulwerkzaamheden in het onderwijs niet passend te achten, omdat hij niet bevoegd is tot het geven van onderwijs en hij voor deze werkzaamheden, gelet op de gezondheidsklachten die hij ondervond bij zijn werkzaamheden als leraar handvaardigheid, ook niet geschikt is. Appellant voert verder nog aan dat hem niet duidelijk was wat zijn sollicitatieplicht inhield en dat niet gereageerd is op zijn verzoek hem daarover te informeren.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. Nu appellant zijn recht op uitkering ontleent aan een tweejarige dienstbetrekking als leraar in het onderwijs kan, gelet op artikel 24, vierde lid, van de WW, niet worden staande gehouden dat functies in het onderwijs voor hem niet als passend kunnen worden aangemerkt. Dat appellant geen formele onderwijsbevoegdheid heeft doet aan de passendheid van dergelijke arbeid niet af. Voorts heeft appellant niet aannemelijk weten te maken dat deze arbeid om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. De verklaring van het centrum voor arbeid en psyche van 9 juni 2004 acht de Raad daarvoor onvoldoende. Door zich bij zijn sollicitatieactiviteiten niet tevens op functies in het onderwijs te richten, heeft appellant zich, ook naar het oordeel van de Raad, te beperkt opgesteld.

5.2. Aan het niet reageren van het Uwv op zijn brief van 29 december 2004 heeft appellant niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat hij op een juiste wijze invulling gaf aan zijn sollicitatieplicht. De Raad merkt daarbij op dat de inhoud van de sollicitatieplicht voldoende duidelijk omschreven is in de toekenningsbeslissing van 29 november 2004 en in de bijlage bij de diverse werkbriefjes.

5.3. In de door appellant aangevoerde omstandigheden ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden die erop wijzen dat de aan artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW en de daaraan door het Uwv gegeven - en door de Raad niet onredelijk geachte - uitwerking, ten grondslag liggende veronderstelling, dat met het verrichten van voldoende sollicitaties de kans wordt vergroot dat arbeid wordt verkregen, niet of niet ten volle gehanteerd kan worden, terwijl appellant ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de aan de orde zijnde periode onvoldoende passende arbeidsplaatsen, als hiervoor bedoeld, aanwezig waren.

5.4. Appellant is daarmee, ook naar het oordeel van de Raad, de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW opgenomen verplichting, om te voorkomen dat hij werkloos is of blijft doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen, niet nagekomen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat appellant het niet nakomen van deze verplichting niet in overwegende mate kan worden verweten.

6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en A.W.M. Bijloos als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2006.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x