Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AY5533
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is op goede gronden de WW-uitkering van betrokkene bij wijze van maatregel gedurende zestien weken met 30% verlaagd omdat hij in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/6361 WW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 september 2005, 05/461 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M.M. de Jong, advocaat te Goirle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2006. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.M. Kuijpers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Bij besluit van 22 april 2004 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 2 maart 2004 een uitkering op grond van de WW toegekend. Omdat appellant in de periode van 29 maart 2004 tot en met 25 april 2004 niet aan de minimale sollicitatieplicht heeft voldaan, heeft het Uwv bij besluit van 12 mei 2004 de uitkering met ingang van 26 april 2004 gedurende 16 weken met 20% verlaagd. Het daartegen gemaakt bezwaar is bij besluit van 27 augustus 2004 ongegrond verklaard. Hiertegen is geen beroep ingesteld.

2.2. Op de inkomstenverklaring die appellant op 3 oktober 2004 heeft ingeleverd, heeft hij over de periode van 13 september 2004 tot en met 10 oktober 2004, toen hij nog 10 uur per week werkloos was, geen enkele verifieerbare sollicitatie vermeld. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv bij besluit van 15 oktober 2004 besloten de uitkering bij wijze van maatregel met ingang van 11 oktober 2004 gedurende 16 weken met 30% te verlagen. Het hiertegen ingediende bezwaarschrift is bij besluit van 27 januari 2005 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellant niet heeft voldaan aan het vereiste dat hij over een periode van vier weken tenminste vier sollicitaties dient te hebben verricht en dat niet is gebleken dat de door hem aangevoerde omstandigheden, te weten zijn leeftijd, het feit dat hij 30 uur per week werkt en zijn gezondheidstoestand, er aan in de weg stonden om in ieder geval ťťn maal per week te solliciteren, terwijl hij voorts door die omstandigheden niet in een dusdanig bijzondere positie verkeerde dat zijn mogelijkheden op de arbeidsmarkt als louter hypothetisch dienden te worden aangemerkt. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de door appellant aangevoerde omstandigheden geen dringende redenen opleveren, die het Uwv hadden behoren te doen besluiten van het opleggen van een maatregel af te zien.

4. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Onder herhaling van hetgeen in bezwaar en beroep is aangevoerd, heeft hij gesteld dat hij wel in voldoende mate heeft gesolliciteerd omdat hij zich steeds persoonlijk bij potentiŽle werkgevers heeft gemeld. Voorts wordt aangevoerd dat de kans op het vinden van passende arbeid in zijn geval als louter hypothetisch moet worden aangemerkt nu hij reeds 30 uur per week werkt, waarbij nog 4 tot 6 uur aan reistijd komt, zodat het onmogelijk is om zich een volledige dag in een werkweek vrij te maken ten behoeve van andere werkgevers, terwijl ook zijn artrose en zijn leeftijd het vinden van passend werk bemoeilijken.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank dient te worden gevolgd in haar oordeel dat het Uwv op goede gronden de WW-uitkering van appellant bij wijze van maatregel met ingang van 11 oktober 2004 gedurende 16 weken met 30% heeft verlaagd omdat hij in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen.

5.2. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak. Naar aanleiding van hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd, voegt de Raad daaraan het volgende toe.

5.3. Onder verwijzing naar zijn uitspraken van 25 januari 2006, LJN AV1632 en LJN AV1635, is de Raad van oordeel dat bij de beantwoording van de vraag of appellant werkloos is gebleven doordat hij in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW dient te worden bepaald of ten aanzien van appellant de in genoemde uitspraken geformuleerde vooronderstelling van toepassing is te achten dat mag worden aangenomen dat het verrichten van voldoende sollicitatieactiviteiten in beginsel de kans doet toenemen dat arbeid wordt verkregen en dat daarmee het werkloosheidsrisico wordt verkleind. Het is immers deze vooronderstelling die de grondslag vormt voor de ten aanzien van iedere werkloze werknemer geldende verplichting, neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat de voorhanden zijnde gegevens geen steun bieden aan het oordeel dat appellant in een zo uitzonderlijke situatie verkeert dat genoemd uitgangspunt voor hem niet zou gelden. De door appellant genoemde omstandigheden met betrekking tot zijn werktijden, zijn leeftijd en artrose acht de Raad niet van dien aard dat appellant kan worden geacht in een zo uitzonderlijke situatie als bedoeld te verkeren. Het Uwv mocht er derhalve, naar het oordeel van de Raad, van uitgaan dat er geen grond aanwezig was om niet van de juistheid van de hiervoor aangegeven vooronderstelling uit te gaan.

5.4. Vervolgens is de vraag aan de orde of het Uwv, nu appellant op de desbetreffende inkomstenverklaring geen enkele verifieerbare sollicitatie heeft vermeld en evenmin op andere wijze heeft aangetoond dat hij zich bij potentiŽle werkgevers zou hebben gemeld, aannemelijk dient te maken dat voor appellant wel passende arbeid voorhanden was, bijvoorbeeld door aan te tonen dat er wel zulke vacatures voorhanden waren, dan wel dat appellant anderszins aan de hem opgelegde verplichting om voldoende sollicitatieactiviteiten te verrichten had kunnen voldoen. Onder verwijzing naar zijn eerder genoemde uitspraken en hetgeen in die uitspraken hieromtrent is overwogen, is de Raad van oordeel dat de stelling van appellant dat hij niet aan de voor hem geldende sollicitatieverplichting heeft kunnen voldoen omdat er gelet op zijn persoonlijke omstandigheden geen passende arbeid voorhanden was, niet door appellant aannemelijk is gemaakt en, gelet op de voorhanden zijnde gegevens, ook niet aannemelijk is te achten, zodat op het Uwv niet de verplichting rustte om nader onderzoek te doen naar de zich ten tijde van belang voordoende vacatures in voor appellant passende arbeid.

5.5. De vraag of appellant terecht wordt verweten de op hem rustende verplichting, neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW, niet te zijn nagekomen, beantwoordt de Raad bevestigend. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat sprake zou zijn van een dringende reden als bedoeld in artikel 27, zesde lid, van de WW.

5.6. Op grond van het vorenstaande komt de Raad dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2006.

(get.) H. Bolt.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x