Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AY5545
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WW-uitkering wegens het niet aanvaarden van aangeboden passende arbeid.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/5643 WW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 augustus 2005, 04/3117 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Door appellant zijn nadere stukken ingediend, waarop door het Uwv is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2006. Appellant en zijn gemachtigde zijn verschenen. Het Uwv is, met voorafgaand schriftelijk bericht, niet verschenen.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.2. Aan appellant, die laatstelijk gewerkt heeft als verwarmingsmonteur, is met ingang van 2 juni 2003 een WW-uitkering toegekend. Hij heeft zijn curriculum vitae geplaatst op de internetsite www.werk.nl van het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI). Hij is op 25 mei 2004 telefonisch benaderd door D. [D.] (hierna: [D.]), werkzaam bij detacheringsbureau [naam detacheringsbureau] in verband met een mogelijk te vervullen vacature. Het gesprek is op niets uitgelopen. [D.] heeft daarop het CWI gemeld dat appellant aangeboden passende arbeid heeft geweigerd.

2.3. Bij besluit van 8 juni 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 21 oktober 2004, heeft het Uwv de aan appellant toegekende WW-uitkering met ingang van 25 mei 2004 bij wijze van maatregel blijvend geheel geweigerd wegens het niet aanvaarden van aangeboden passende arbeid.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat naar haar oordeel uit de voorhanden zijnde informatie voldoende is gebleken dat aan appellant een concreet werkaanbod is gedaan, namelijk de functie van verwarmingsmonteur bij Loodgieters- en Installatiebedrijf [D.] B.V. te [vestigingsplaats], welk aanbod hij niet heeft aanvaard.

4. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Daartoe is aangevoerd dat hem geen concreet werkaanbod is gedaan zodat hem niet kan worden verweten dat hij heeft nagelaten aangeboden passende arbeid te aanvaarden. Tevens is gesteld dat het Uwv onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde feiten, dat het Uwv het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid en gemotiveerd, dat het Uwv en het CWI ten onrechte niet hebben bemiddeld om alsnog tot een werkafspraak te komen, en dat een eventuele sanctie in tijdsduur had moeten worden beperkt tot de periode waarin appellant feitelijk had kunnen werken.

5.1. De Raad overweegt het volgende.

5.2. Aan het bestreden besluit ligt de opvatting ten grondslag dat appellant zich niet heeft gehouden aan de op hem rustende verplichting, neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW, inhoudende dat de werknemer moet voorkomen dat hij werkloos is of blijft doordat hij nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt.

5.3. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat appellant deze bepaling op zich van toepassing heeft doen worden en dat op die grond het Uwv gehouden was om de aan appellant toegekende WW-uitkering blijvend geheel te weigeren. In de voorhanden zijnde gegevens ziet de Raad genoegzaam steun voor het oordeel dat het aan de opstelling van appellant tijdens het met [D.] van [naam detacheringsbureau] gevoerde telefoongesprek te wijten is dat appellant geen passende arbeid heeft verkregen. Ter zitting heeft appellant verklaard dat hij tijdens dit gesprek boos is geworden omdat hij zich onheus bejegend voelde en dat dit gesprek door hem in een ruzieachtige sfeer is beŽindigd. Hoewel, gelet op de tegenstrijdige verklaringen van appellant en [D.] van [naam detacheringsbureau] over de inhoud van het tussen beiden gevoerde telefoongesprek, dan wel telefoongesprekken, niet kan worden geoordeeld dat vaststaat dat aan appellant expliciet de functie van verwarmingsmonteur bij Loodgieters- en Installatiebedrijf [D.] B.V. te [vestigingsplaats] is aangeboden, ziet de Raad evenwel in de voorhanden zijnde gegevens voldoende grondslag voor het oordeel dat het voor appellant duidelijk was, dan wel duidelijk heeft moeten zijn, dat [naam detacheringsbureau] passende arbeid voor hem beschikbaar had. De Raad is van oordeel dat de opstelling van appellant, die ten tijde hier van belang al bijna ťťn jaar werkloos was, hem vanuit een oogpunt van toepassing van de WW kan worden verweten en dat appellant daarmee door eigen toedoen geen passende arbeid heeft verkregen.

5.4. De overige grieven van appellant slagen evenmin. De Raad is, anders dan appellant, van oordeel dat het door het Uwv verrichte onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest, nu het Uwv meermalen informatie heeft ingewonnen bij [D.] en bij appellant. De Raad vermag niet te zien op welke wijze het Uwv verder nog relevante informatie had kunnen verkrijgen. De Raad is, anders dan appellant, voorts van oordeel dat geen rechtsregel of algemeen beginsel van behoorlijk bestuur in de weg staat aan het gebruik door het Uwv van de door [D.] aan het CWI verstrekte informatie. Deze informatie had appellant overigens op grond van artikel 25 van de WW uit eigen beweging aan het Uwv moeten verstrekken. De grief dat de opgelegde maatregel had moeten worden beŽindigd met ingang van de datum waarop het aangeboden werk zou zijn geŽindigd, in casu de bouwvakvakantie, vindt geen steun in wet- of regelgeving en kan om die reden niet slagen.

5.5. Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat appellant de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW, neergelegde verplichting niet is nagekomen, zodat het Uwv, gelet op artikel 27, tweede lid, van de WW, gehouden was een maatregel op te leggen. In hetgeen door appellant is aangevoerd ziet de Raad geen grond om te oordelen dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan het Uwv van het opleggen van de maatregel had moeten afzien, als bedoeld in artikel 27, zesde lid, van de WW.

5.6. De Raad is van oordeel dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2006.

(get.) H. Bolt.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x