Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AY5552
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WW-uitkering. Er is geen sprake van arbeidsurenverlies nu van de negen arbeidsuren er niet meer dan drie zijn verloren. Betrokkene heeft recht op onverminderde doorbetaling van loon en dat loon is ook daadwerkelijk doorbetaald.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/6301 WW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 19 september 2005, 05/277 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. M.H.G. van der Leest, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2006. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.E. de Jong, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitvoeriger uiteenzetting van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier wordt volstaan met het volgende.

2.1. Appellante is voor haar werk als verzorgende in de thuiszorg uitgevallen wegens nek- en rugklachten. Na ommekomst op 23 november 2003 van de zogenoemde wachttijd, is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van - uiteindelijk - 15 tot 25%.

2.2. De aanvraag van appellante voor een WW-uitkering per 24 november 2003, is bij besluit van 10 november 2004 door het Uwv afgewezen. Na gemaakt bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 1 maart 2005, hierna: het bestreden besluit, beslist appellante per 24 november 2003 WW-uitkering te ontzeggen. Hierbij is toepassing gegeven aan artikel 16, eerste lid, onder a, van de WW, ingevolge welke bepaling een werknemer eerst werkloos is indien hij tenminste vijf of tenminste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. In dit geding moet de vraag worden beantwoord of de rechtbank dient te worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit.

4.1. Ter zitting heeft het Uwv het bestreden besluit aldus toegelicht dat appellante het recht op uitkering ingevolge de WW is ontzegd omdat geen sprake is van arbeidsurenverlies in de zin van de voormelde bepaling, nu van de negen arbeidsuren die appellante in haar dienstbetrekking werkte, zij er met ingang van 24 november 2003 niet meer dan 3 had verloren. Voorts heeft appellante het recht op onverminderde doorbetaling van haar loon niet verloren en is dat loon ook daadwerkelijk doorbetaald.

4.2. In hoger beroep heeft appellante dezelfde gronden naar voren gebracht als zij in eerste aanleg heeft aangevoerd. De rechtbank heeft dienaangaande overwogen dat uit stukken die zich in het dossier bevinden blijkt dat appellante nog tijdens de wachttijd, in haar eigen, deels aangepaste, werk heeft hervat voor 6 uren per week zodat zij geen relevant arbeidsurenverlies heeft geleden. De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank.

4.3. Appellante heeft ook in hoger beroep gewezen op een weekrapport over week 47 van het jaar 2003, waaruit zou blijken dat appellante in die week wel een relevant arbeidsurenverlies heeft geleden. De Raad overweegt dat aan dat rapport niet die betekenis kan worden toegekend die appellante klaarblijkelijk daaraan gehecht wenst te zien. Dat rapport heeft in de eerste plaats betrekking op de week gelegen voor de datum hier in geding, 24 november 2003. Voorts is zonder nadere toelichting van de zijde van appellante, welke toelichting achterwege is gebleven, niet duidelijk hoe dit weekrapport zich verhoudt tot andere gedingstukken waaruit duidelijk blijkt dat appellante heeft hervat gedurende zes uren per week.

4.4. Verder overweegt de Raad dat appellante niet heeft bestreden dat haar ten tijde hier van belang het loon volledig is doorbetaald door de werkgever. Aan de vermelde voorwaarden voor het recht op uitkering is in haar geval dus niet voldaan.

4.5. De Raad komt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x