Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AY5572
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WW-uitkering wegens onrechtmatig verblijf in Nederland. Betrokkene is geen werknemer en kan niet als verzekerde worden aangemerkt. Koppelingswet.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/21 WW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 november 2003, 04/656 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 juli 2006




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Van de kant van zowel appellant als het Uwv zijn nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2006, gevoegd met de zaken 03/4093 ZW en 05/4569 ZW. Appellant is in persoon verschenen met bijstand van zijn raadsman mr. Van Zundert, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad verwijst voor de in dit geding relevante feiten naar de aangevallen uitspraak.

In die uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat aan appellant terecht een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) is geweigerd, omdat hij op grond van artikel 3, derde lid, van de WW niet als werknemer en derhalve niet als verzekerde kan worden aangemerkt.

De rechtbank heeft het bestreden besluit getoetst aan artikel 8 van de Vreemdelingenwet (Vw) en vastgesteld dat appellant ten tijde van zijn WW-aanvraag op grond van de Koppelingswet (Stb. 1998, 204), zoals die per 1 juli 1998 geldt, geen rechtmatig verblijf hield in de zin van de Vw. Dit bracht naar het oordeel van de rechtbank mee dat appellant ten tijde hier van belang niet als verzekerde in de zin van de WW kan worden beschouwd. Ook kan appellant naar het oordeel van de rechtbank niet op grond van het Besluit uitbreiding en beperking kring van verzekerden werknemersverzekeringen 1990 (Stb. 1989, 202) als verzekerde worden aangemerkt.
Vervolgens heeft de rechtbank, in het licht van jurisprudentie van de Raad getoetst of de Koppelingswet in dit geval wel onverkort van toepassing kon zijn. De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord nu appellant heeft erkend pas na 1 juli 1998 een aanvraag om een verblijfsvergunning te hebben gediend.

De Raad dient te beoordelen of de aangevallen uitspraak stand kan houden.
Hij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe in aanvulling op de aangevallen uitspraak en naar aanleiding van de van de zijde van appellant naar voren gebrachte grieven het volgende.

De Raad heeft in zijn vaste jurisprudentie geoordeeld dat het niet onder alle omstandigheden geoorloofd is de verplichte verzekering met terugwerkende kracht te beŽindigen. Van belang is dan of appellant vanaf 15 mei 1998 doorlopend in dienstbetrekking werkzaam is geweest bij dezelfde werkgever. De Raad stelt vast dat appellant niet aan deze voorwaarde voldoet. De dienstbetrekking van appellant met [N.] B.V. die op 15 mei 1998 is aangegaan is immers op 1 december 1998 door het verstrijken van de overeengekomen tijd tot een einde gekomen. Hierna is hij per 4 januari 1999 opnieuw in dienst getreden bij deze werkgever. Vervolgens is appellant op 1 oktober 2000 bij [M.] B.V. in dienst is getreden, welk dienstverband per 7 december 2001 is ontbonden door de kantonrechter. Voor de stelling dat appellant op 1 oktober 2000 in dienst is getreden van zijn voormalige werkgever [N.] B.V. en gedetacheerd werd bij [M.] B.V. vindt de Raad geen enkele steun. In tegendeel, onder de gedingstukken bevinden zich verschillende stukken die juist op de onjuistheid van deze stelling wijzen, zoals een door appellant ondertekende arbeidsovereenkomst met [M.] B.V., vermelding op het overzicht arbeidsverhoudingen, en de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen appellant en deze werkgever. Bovendien moet worden vastgesteld dat appellant per 4 januari 1999 een arbeidsovereenkomst met [N.] B.V. is aangegaan, zodat ook daarom niet is voldaan aan de voorwaarde dat appellant vanaf 1 juli 1998 bij dezelfde werkgever doorlopend in dienst is geweest. Onder deze omstandigheden acht de Raad beŽindiging van de verplichte verzekering met terugwerkende kracht toelaatbaar.

Aan de omstandigheid dat appellant niet geÔnformeerd is over de beŽindiging van de verplichte verzekering kan het vorenstaande niet afdoen.

Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen, nu juist een onderscheid wordt gemaakt tussen vreemdelingen die wel en die niet voor 1 juli 1998 een vergunning tot verblijf hebben aangevraagd.

Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. KovŠcs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. KovŠcs.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x