Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AY5586
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid. Valt de werkloosheid betrokkene in overwegende mate te verwijten?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/4454 WW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 1 juni 2005, 04/1016 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. E.L. Beuving, werkzaam bij Klaverblad Rechtsbijstand Stichting te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2006. Voor appellant is verschenen mr. Beuving. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.R.H. Barendregt, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Appellant was sedert 1 mei 1997 werkzaam bij [naam rechtsvoorganger] B.V., rechtsvoorganger van [naam werkgever] B.V. (hierna: de werkgever). Bij beschikking van 16 juli 2003 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst van appellant met de werkgever met ingang van 1 augustus 2003 ontbonden en ten laste van de werkgever een vergoeding toegekend van € 25.500,-.

3. Op 6 december 2003 heeft appellant een aanvraag ingediend voor een WW-uitkering.
Bij besluit van 12 maart 2004 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat het recht op WW-uitkering met ingang van 1 september 2003 blijvend geheel wordt geweigerd, omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Daartoe heeft het Uwv overwogen dat de werkgever van appellant het arbeidsconflict wilde oplossen en wilde proberen appellant weer in het arbeidsproces te krijgen. Appellant is hier niet of nauwelijks op ingegaan, terwijl dit van hem verlangd had mogen worden. Appellant is dan ook verwijtbaar werkloos geworden. Ten slotte is er geen sprake van verminderde verwijtbaarheid.

4. Bij het bestreden besluit van 20 juli 2004 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 maart 2004 ongegrond verklaard.

5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij met het Uwv van oordeel is dat appellant zich ten opzichte van zijn werkgever zodanig verwijtbaar heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. Met name heeft de rechtbank niet aannemelijk geacht dat appellant zich heeft ingespannen, nadat er als gevolg van een conflict een moeizame situatie was ontstaan, om aan het beëindigen daarvan een actieve bijdrage te leveren. Appellant heeft de rechtbank er niet van kunnen overtuigen dat hij voldoende moeite heeft gedaan om met de werkgever weer in gesprek te komen. Het Uwv was daarom volgens de rechtbank gehouden de uitkering blijvend geheel te weigeren. Niet is gebleken van verminderde verwijtbaarheid en evenmin van dringende redenen om van het opleggen van een maatregel af te zien.

6. In zijn hoger beroepschrift heeft appellant aangevoerd dat hij niet hoefde te begrijpen dat zijn gedragingen het einde van de dienstbetrekking tot gevolg zouden hebben. Dit einde was voor hem derhalve niet voorzienbaar. Voorts is het besluit waarin het oordeel is vervat dat hij verwijtbaar werkloos is geworden in zijn visie op een onjuist feitencomplex gebaseerd en onzorgvuldig voorbereid. Zou hij al verwijtbaar werkloos moeten worden geacht dan is sprake van verminderde verwijtbaarheid aangezien de werkgever ook een groot aandeel heeft gehad in het ontstaan en doen voortbestaan van de problematische verhouding tussen partijen. Ten slotte is appellant van mening dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak in strijd met het motiveringsbeginsel zijn nu niet wordt gemotiveerd waarom de door hem aangevoerde gronden kennelijk onvoldoende zijn om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen.

7. De Raad overweegt als volgt.

7.1. Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de WW weigert het Uwv de uitkering blijvend geheel, indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, onderdeel a, van de WW opgelegd, niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het Uwv de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar 35.

7.2. Blijkens het verhandelde ter zitting is tussen partijen niet langer in geschil dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Door de Raad behoeft dan ook slechts de vraag te worden beantwoord of de werkloosheid appellant ingevolge het eerste lid van artikel 27 van de WW niet in overwegende mate valt te verwijten.

7.3. Uit de stukken blijkt dat appellant op 14 april 2002 door de werkgever op non-actief is gesteld, hetgeen achteraf ten onrechte is gebleken. De werkgever heeft eerst in juni 2002 weer contact met appellant opgenomen, waarna partijen in gesprek zijn geraakt. Appellant kon niet terugkeren naar zijn oude project, een project dat appellant bij zijn vorige werkgever was gestart en bij deze werkgever had aangebracht. Aan appellant is aangeboden om bij de ING aan de slag te gaan. Het werkrooster heeft de werkgever eerst bij brief van 13 augustus 2002 aan appellant doen toekomen, terwijl appellant daar 15 augustus 2002 had dienen te beginnen. Het rooster heeft appellant waarschijnlijk niet tijdig bereikt, hetgeen ook door de werkgever ter zitting van de rechtbank is erkend, zodat appellant niet kan worden verweten dat hij niet op 15 augustus 2002 op het werk is verschenen. Blijkens de stukken is de plek van appellant bij de ING door iemand anders ingenomen. Voorts heeft de werkgever eerst bij brief van 18 oktober 2002 weer contact gezocht met appellant, waarna op 7 november 2002 een gesprek heeft plaatsgevonden. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de werkgever schriftelijk excuus aangeboden ten aanzien van de gang van zaken tijdens de op-non-actiefstelling. Appellant heeft daarop schriftelijk gereageerd en te kennen gegeven de excuses te aanvaarden en zijn werk te willen hervatten. Op 3 december 2002 heeft wederom een gesprek plaatsgevonden. Naar aanleiding van dit gesprek heeft appellant op de vacature voor de functie van Field Supervisor gereageerd. Blijkens de brief, eerst van 10 februari 2003, is de keuze niet op appellant gevallen, waarna de werkgever appellant bij brief van 13 februari 2003 heeft uitgenodigd om over werkhervatting te praten. Appellant is vervolgens geplaatst bij het AZC te [vestigingsplaats]. Op de eerste werkdag, 24 februari 2003, heeft appellant zich ziek gemeld. Vanwege de gebeurtenissen in de tijd vóór deze datum is appellant ingestort. De bedrijfsarts heeft vervolgens een time-out gegeven van twee weken. Appellant heeft daarna niet hervat en heeft daarna geen contact gehad met de werkgever. Ten slotte heeft de werkgever op 24 april 2003 een verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend, welke ontbinding door de kantonrechter per 1 augustus 2003 is uitgesproken.

7.4. De Raad is van oordeel dat op grond van in 7.3. vermelde feiten en omstandigheden vastgesteld moet worden dat de werkgever van appellant een aanzienlijk aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortduren van de conflictsituatie. Van de werkgever had verwacht mogen worden dat hij voortvarender had gehandeld teneinde de rond appellant gerezen problemen op te lossen. Weliswaar heeft appellant ook niet altijd tijdig gereageerd, maar gezien de ontstane situatie kon dat ook niet steeds van appellant verwacht worden. De Raad is van oordeel dat het ontstaan van de conflictsituatie door de op non-actief stelling van appellant, gevolgd door het gedurende lange tijd niet reageren door de werkgever appellant niet, dan wel niet in overwegende mate valt te verwijten. De werkgever had gezien ook de voor hem kenbare effecten daarvan op appellants geestelijk welzijn meer inspanningen dienen te betrachten om na de time-out weer met appellant in gesprek te komen en niet op een ontbinding van de arbeidsovereenkomst moeten aansturen. De Raad is dan ook van oordeel dat de werkloosheid appellant niet in overwegende mate valt te verwijten.

7.5. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het beroep wordt alsnog gegrond verklaard. Het Uwv dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

8. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep terzake van aan hem verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.288,--.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Draagt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2006.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) P.W.J. Hospel.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x