Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AY5588
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 26-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid. Betrokkene heeft ten onrechte ontslag genomen uit zijn dienstbetrekking om bij een uitzendbureau te gaan werken, in welke dienstbetrekking hij korter dan zes maanden werkzaam is geweest.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/7148 WW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 november 2004, 03/2344 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 14 juni 2006. Partijen zijn niet verschenen.




II. OVERWEGINGEN


1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitvoeriger uiteenzetting van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

2.1. Bij besluit van 29 november 2002 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat de door hem aangevraagde uitkering ingevolge de WW met ingang van 20 augustus 2002 niet kan worden uitbetaald omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden. Bij besluit van 8 april 2003 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 november 2002 ongegrond verklaard.

2.2. Het bestreden besluit is gebaseerd op de overweging dat appellant ten onrechte ontslag heeft genomen uit zijn dienstbetrekking bij [naam werkgever] (hierna: [naam werkgever]) om bij Manpower te gaan werken, in welke dienstbetrekking hij korter dan zes maanden werkzaam is geweest. Volgens het Uwv heeft appellant hiermee gehandeld in strijd met artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW in verbinding met het tweede lid onder b, van dat artikel. Ingevolge dit samenstel van bepalingen dient de werknemer te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt doordat de dienstbetrekking eindigt of is beŽindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden dat de voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. In dit geding ligt de vraag voor of de rechtbank moet worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.1. In het voorliggende geval is aan de orde de situatie dat appellant werkloos is geworden uit zijn dienstbetrekking bij Manpower welke dienstbetrekking niet zo lang heeft geduurd dat hij uitsluitend daaraan een recht op WW kan ontlenen, terwijl die dienstbetrekking direct is gevolgd op de daaraan voorafgaande dienstbetrekking bij [naam werkgever] en die dienstbetrekking is beŽindigd met het oog op indiensttreding bij Manpower. Uit vaste jurisprudentie van de Raad - zie bijvoorbeeld CRvB 20 april 2005, LJN AT6119, USZ 2005/265 - volgt dat in zoín situatie, ter beantwoording van de vraag of de werknemer de werkloosheid kan worden verweten, mede de omstandigheden in aanmerking kunnen worden genomen waaronder de voorafgaande dienstbetrekking is beŽindigd. Uit die jurisprudentie valt voorts af te leiden dat de Raad van oordeel is, aanknopend bij de juist vermelde bepalingen, dat die vraag bevestigend kan worden beantwoord als de keuze van de werknemer om zijn voorlaatste dienstbetrekking te beŽindigen om aan te vangen in de nieuwe dienstbetrekking zodanig lichtvaardig is te achten dat die keuze hem vanuit het oogpunt van de toepassing van de WW kan worden verweten. Om te bezien of daarvan sprake is dient acht te worden geslagen op de relevante omstandigheden waaronder de vraag of het einde van de voorlaatste dienstbetrekking reeds was te voorzien, en zo ja, wanneer dat dan het geval zou zijn, de beweegredenen van de werknemer om de voorlaatste dienstbetrekking te beŽindigen en die om de nieuwe dienstbetrekking aan te gaan, het belang van de werknemer bij de overstap naar de nieuwe dienstbetrekking, alsmede de vraag of met de keuze voor de nieuwe dienstbetrekking het werkloosheidsrisico aanmerkelijk is toegenomen.

4.2. De Raad is van oordeel dat de keuze van appellant om zijn voorlaatste dienstbetrekking te beŽindigen hem vanuit het oogpunt van toepassing van de WW kan worden verweten. Daartoe overweegt de Raad in de eerste plaats dat het dienstverband van appellant bij [naam werkgever] zou doorlopen tot 31 december 2002, terwijl dat bij Manpower is aangegaan ten behoeve van een uitzendrelatie die eerder zou eindigen waardoor eerder het risico voor werkloosheid zich zou realiseren. Niet is gebleken dat de dienstbetrekking met [naam werkgever] na 31 december 2002 niet zou worden voortgezet. De Raad weegt voorts mee de reden die appellant heeft gegeven om de dienstbetrekking met [naam werkgever] te beŽindigen. Zijn overstap naar Manpower was ingegeven, zo heeft appellant gesteld, doordat hij tijdens bepaalde wisseldiensten niet langer met een collega kon meerijden naar [naam werkgever], en dit bedrijf ís avonds en ís nachts niet met het openbaar vervoer te bereiken is. Dit zou het voor appellant niet acceptabele gevolg hebben dat hij er te voet 50 minuten over zou doen om van het station te Almere naar [naam werkgever] te komen. De Raad ziet er niet aan voorbij dat appellant als gevolg van de gebrekkige verbinding met het openbaar vervoer tijdens bepaalde wisseldiensten aanmerkelijke tijd kwijt was aan reizen. De Raad is echter van oordeel dat dit op zichzelf onvoldoende reden is om de arbeid bij [naam werkgever] prijs te geven. Daarbij onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat appellant had kunnen omzien naar middelen om [naam werkgever] gemakkelijker te bereiken.

4.3. Het zojuist overwogene betekent dat het Uwv terecht toepassing heeft gegeven aan de in 2.2. vermelde bepalingen. De Raad ziet in hetgeen appellant voorts heeft aangevoerd geen aanleiding een verminderde mate van verwijtbaarheid aan te nemen.

4.4. De Raad komt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er zijn geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en A.W.M. Bijloos als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2006.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x