Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AY6098
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Het in het besluit vervatte standpunt wordt niet langer gehandhaafd. Toekenning van schadevergoeding (wettelijke rente).
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/2836 WW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank s-Hertogenbosch van 18 maart 2005, 03/2918 en 03/3214 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. drs. A.H.J. de Kort, advocaat te s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 19 december 2005 heeft het Uwv de Raad een nieuw besluit op bezwaar van dezelfde datum gezonden, waaruit blijkt dat het standpunt zoals neergelegd in het besluit op bezwaar van 27 oktober 2003 is gewijzigd. Het bezwaar tegen de primaire beslissing van 27 augustus 2003 is alsnog gegrond verklaard en aan appellant is alsnog met ingang van 18 juli 2003 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend.

Het Uwv heeft bij brief van 15 februari 2006 een correctie op het besluit van 19 december 2005 gegeven met betrekking tot de ingangsdatum van de uitkering ingevolge de WW welke gesteld dient te worden op 28 juli 2003.

Bij brieven van 10 maart 2006 en 24 april 2006 heeft mr. drs. De Kort de Raad bericht dat appellant zich kan vinden in het nadere standpunt van het Uwv.
Nu er echter geen concreet voorstel is gedaan door het Uwv met betrekking tot de uitbetaling van de achterstallige uitkering ingevolge de WW, inclusief renteverlies, griffierecht, proceskosten en de eigen bijdrage van appellant voor een toevoeging, handhaaft appellant het hoger beroep.

Bij brief van 10 mei 2006 heeft het Uwv meegedeeld dat inmiddels tot uitbetaling van de achterstallige uitkering is overgegaan, dat de eigen bijdrage voor een toevoeging niet wordt vergoed en dat voor de overige door appellant geclaimde vergoedingen wordt gerefereerd aan het oordeel van de Raad.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.




II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt vast dat het Uwv zijn in het besluit van 27 oktober 2003 vervatte standpunt niet langer handhaaft. De Raad zal derhalve dit besluit vernietigen evenals de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten.

Nu vaststaat dat appellant schade lijdt is zijn verzoek om vergoeding van wettelijke rente over de nabetaalde uitkering voor inwilliging vatbaar, in dier voege dat het Uwv de wettelijke rente dient te vergoeden over de nabetaling van uitkering en dat de ingangsdatum van de rente wordt gesteld op 1 augustus 2003. Wat de wijze waarop die rente dient te worden berekend betreft, volstaat de Raad met te verwijzen naar zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495, JB 1995/314.

De Raad ziet aanleiding het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellant voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg tot een bedrag van 644,-- en voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep van 322,--, totaal derhalve 966,--.

Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 27 oktober 2003 gegrond en vernietigt dat besluit;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van renteschade als hiervoor in rubriek II vermeld;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot 966,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van 134,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2006.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x