Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AY6133
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Dagloonvaststelling. Is "Auszahlung Zeitguthaben" en "Abgeltung Fixstunden" aan te merken als beloning voor overwerk?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/2593 WW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 29 maart 2005, 04/1302 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. P. Kistemaker-van Blaricum, werkzaam bij FNV bondgenoten te Weert, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 12 mei 2005 heeft mr. P.A.M. Staal, advocaat te Utrecht, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2006, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Staal, en waar het Uwv aan appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. K. van der Wal, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Bij besluit van 9 februari 2004 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 1 januari 2004 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend, waarbij het dagloon is vastgesteld op 130,10.

Appellant heeft tegen het besluit van 9 februari 2004 bezwaar gemaakt op de grond dat het dagloon onjuist is vastgesteld. Bij besluit van 19 juli 2004 heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat het dagloon terecht is gebaseerd op het loon dat appellant over de periode van 2 juli 2001 tot en met 30 november 2001 bij [naam werkgever] (hierna: [naam werkgever]) heeft genoten. Voorts is het Uwv van oordeel dat de zogenaamde Auszahlung Zeitguthaben en Abgeltung Fixstunden terecht bij de berekening van het dagloon buiten beschouwing zijn gelaten, omdat het hier gaat om een beloning voor overwerk als bedoeld in artikel in artikel 1, derde lid, aanhef en onder g, van de Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het besluit van 19 juli 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd, waarbij het geschil nog beperkt is tot de vraag of de Abgeltung Fixstunden terecht als beloning uit overwerk bij de berekening van het dagloon buiten beschouwing is gelaten.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Volgens de voor [naam werkgever] geldende Collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) was het voor werkgevers en werknemers mogelijk om over de periode van 1 september 1999 tot en met 31 augustus 2001 op grond van een vrijwillige arbeidsovereenkomst de arbeidstijd van voltijdse werknemers uit te breiden tot ten hoogste 40 uur per week. Uit het door appellant overgelegde deel van de tussen de onderneming waarvan [naam werkgever] deel uitmaakt en de ondernemingsraad gesloten zogenoemde Betriebsvereinbarung kan de Raad voorts opmaken dat ten aanzien van de werknemers van [naam werkgever] van deze mogelijkheid gebruik is gemaakt en dat de reguliere arbeidstijd van de voltijdse werknemers over bovengenoemde periode is uitgebreid naar 40 uren per week. Uit de van de zijde van de werkgever afgelegde (telefonische) verklaringen van 13 juli 2004, 3 augustus 2004 en 26 april 2005 blijkt dat de uitbreiding van arbeidstijd voor iedere werknemer als een verplichting gold en dat geen sprake was van arbeidsuren die in het kader van overwerk moesten worden gemaakt.

Voor de Raad staat genoegzaam vast dat in dit geval geen sprake is van extra gewerkte uren uit overwerk, maar van een temporele uitbreiding van reguliere arbeidstijd met een verplicht karakter. De Raad merkt op dat uit de CAO weliswaar blijkt dat de Betriebsvereinbarung op vrijwillige basis tot stand is gekomen, hetgeen ook kan worden opgemaakt uit de tekst van deze overeenkomst, maar dat dit niet betekent dat de daarin gemaakte afspraken niet voor iedere werknemer bindend zijn vastgelegd. Vaststaat voorts dat de arbeidstijd van appellant over de periode van 1 september 1999 tot en met 31 augustus 2001 naar 40 uren is uitgebreid en dat hij over deze uitbreiding van uren loon heeft genoten dat onder de noemer van Abgeltung Fixstunden in december 2001 aan hem is uitbetaald. Het Uwv had dit loon naar het oordeel van de Raad op grond van artikel 7, eerste lid, van de Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid in het dagloon moeten betrekken.

Met betrekking tot de berekening van het dagloon acht de Raad het nog aangewezen om op te merken dat de Abgeltung Fixstunden in het dagloon moeten worden meegerekend voorzover die betrekking heeft op de gewerkte uren die over de periode van 2 juli 2001 tot en met 31 augustus 2001 zijn gemaakt. Dit in verband met de aanvang van de voor appellant geldende referteperiode en het einde van de periode waarover de uitbreiding van de arbeidstijd voor appellant heeft gegolden.

De Raad ziet in het vorenstaande aanleiding om de aangevallen uitspraak - voorzover aangevochten - te vernietigen, het beroep tegen het besluit van 19 juli 2004 in zoverre gegrond te verklaren en dat besluit in zoverre te vernietigen. Het Uwv dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding komt thans niet voor toewijzing in aanmerking, omdat nadere besluitvorming door het Uwv noodzakelijk is en de Raad onvoldoende inzicht heeft in de omvang van de door het te vernietigen besluit geleden schade. Appellant zal nader dienen te specificeren welke schade hij heeft geleden. Het Uwv zal vervolgens bij zijn nadere besluitvorming aandacht dienen te besteden aan de vraag of, en zo ja, in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op 322,-- in beroep en op 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 19 juli 2004 in zoverre gegrond en vernietigt dat besluit in zoverre;
Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot 966,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal 124,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x