Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AY6152
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Blijvend gehele weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid. Er is geen sprake van verminderde verwijtbaarheid.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/3530 WW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 28 april 2005, 04/949 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 19 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. N.B.P. Arets, advocaat te Roermond, een verweerschrift ingediend.

Namens betrokkene is tevens aan de voorzieningenrechter van de Raad verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 16 januari 2006, 05/6969, heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.G.M. Huys, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door bovengenoemde gemachtigde.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Aan de hiervoor genoemde uitspraak van de voorzieningenrechter, waarin appellant is aangeduid als gedaagde en betrokkene als verzoeker, ontleent de Raad de volgende, door hem als vaststaand aangenomen, feiten en omstandigheden.
“1.1. Verzoeker was sedert 15 mei 1968 werkzaam als pluimveeslachter bij [naam werkgever] te [vestigingsplaats] (hierna: werkgever). Daarnaast exploiteert hij een café aan huis in de vorm van een eenmanszaak zonder personeel. Bij brief van 19 februari 2002 is verzoeker door zijn werkgever gewaarschuwd dat hij de laatste maanden veelvuldig te laat op het werk kwam en gedurende een week, zonder het te melden, helemaal niet op het werk was verschenen. Daarbij is hem te verstaan gegeven dat herhaling tot ontslag op staande voet kan leiden. Bij brief van 21 juli 2003 is verzoeker ontslag op staande voet verleend, omdat hij ondanks recente mondelinge waarschuwingen opnieuw zonder bericht een aantal dagen niet op het werk was verschenen. Nadat namens verzoeker de nietigheid van dit ontslag was ingeroepen en hij de werkgever had gedagvaard om hem tot het werk toe te laten, heeft de werkgever dit ontslag op staande voet ingetrokken en de kantonrechter te Roermond verzocht de tussen verzoeker en de werkgever bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden. Bij beschikking van 30 september 2003, nr. 114002/AZ VERZ 03-642 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2003, zonder toekenning van een vergoeding, ontbonden wegens verandering van omstandigheden bestaande uit een ernstig verstoorde arbeidsverhouding, waarvan verzoeker volgens de kantonrechter geen verwijt is te maken.

1.2. Bij besluit van 1 december 2003 heeft gedaagde de WW-uitkering van verzoeker blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid, omdat het aan hem te wijten is dat zijn dienstverband is ontbonden. Namens verzoeker is bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Tijdens de hoorzitting heeft verzoeker verklaard dat het al geruime tijd niet goed ging op het werk. Volgens verzoeker waren er misverstanden en maakten collega’s denigrerende opmerkingen over zijn uiterlijk. Hij ging vaak met tegenzin en zonder animo naar het werk en kwam daardoor wel eens te laat. Gedaagde heeft hierin aanleiding gezien voor een nader onderzoek bij de werkgever. Desgevraagd heeft de werkgever verklaard dat verzoeker reeds enkele jaren vaak te laat en soms in het geheel niet op het werk verscheen, dat de werkgever om verzoeker tegemoet te komen met verzoeker heeft afgesproken dat hij ’s ochtends een half uur later mocht beginnen en op vrijdag in het geheel niet meer hoefde te werken, doch dat deze maatregelen niet tot verbetering leidden en dat toen ook herhaalde waarschuwingen geen resultaat hadden, verzoeker uiteindelijk is ontslagen.”

2.2. Hier voegt de Raad het volgende nog aan toe.
Appellant heeft bij besluit van 28 juni 2004 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 1 december 2003 ongegrond verklaard. Daarbij heeft appellant overwogen, dat betrokkene al in een brief van de werkgever van 19 februari 2002 is gewaarschuwd in verband met het veelvuldig te laat op het werk verschijnen en het soms een of meer dagen in het geheel niet zonder bericht op het werk komen. Betrokkene is bij brief van 21 juli 2003 op staande voet ontslagen in verband met herhaling - ook na hernieuwde waarschuwing - van dit gedrag. Nadat namens betrokkene de nietigheid van dit ontslag was ingeroepen, heeft de werkgever dit ontslag ingetrokken en is de arbeidsovereenkomst van betrokkene door de kantonrechter op verzoek van de werkgever bij beschikking van 30 september 2003 met ingang van 1 oktober 2003 ontbonden. Door het zojuist weergegeven gedrag heeft betrokkene, aldus appellant, zich zodanig gedragen dat hij verwijtbaar werkloos moet worden geacht in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en sub a, van de WW, zodat de uitkering blijvend geheel dient te worden geweigerd.

2.3. Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is onder meer - voor het eerst - gesteld dat het gedrag van betrokkene voortkomt uit het feit dat hij aan een ernstige vorm van diabetes lijdt, waardoor hij vaak verward is. Daartoe is erop gewezen, dat betrokkene op 2 mei 2004 met spoed in het ziekenhuis is opgenomen in verband met een fors ontregelde diabetes ter zake waarvan een verklaring van de behandelend internist, dr. J.G. van de Loo is overgelegd. Deze arts acht het aannemelijk dat betrokkene al jaren aan een slecht geregelde diabetes lijdt, welke eerst op 2 mei 2004 aan het licht is gekomen.

2.4. Appellant heeft in reactie hierop een rapport van de bezwaarverzekeringsarts G.J.A. van Kasteren-van Delden van 2 september 2004 overgelegd, waarin deze aangeeft dat het al jaren bestaan van diabetes niet inhoudt, dat er ook al jaren verwardheid zou bestaan en dat uit de medische gegevens evenmin valt af te leiden, dat de eventuele verwardheid ook al in de jaren 2002/2003 bestond.

3. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met bepalingen omtrent de vergoeding van proceskosten en betaling van griffierecht. Daarbij heeft de rechtbank voorop gesteld, dat als vaststaand moet worden aangenomen dat betrokkene gedurende lange tijd vele malen te laat is gekomen en soms in het geheel niet op het werk is verschenen zonder bericht van verhindering. De rechtbank acht het - overwegend dat het door appellant in geding gebrachte rapport niet doorslaggevend is te achten - niet uitgesloten dat de klachten van betrokkene, ook al zijn die eerst medio 2004 als klachten ten gevolge van diabetes herkend, al veel eerder bestonden en diens gedrag hebben veroorzaakt. Voor zover er al gesproken kan worden van toerekenbaarheid, moet tevens worden bezien of het gedrag van betrokkene hem in overwegende mate kan worden verweten. In dit verband had appellant meer onderzoek dienen te verrichten, met name naar de rol van de werkgever en de vraag of deze diens verplichtingen onder andere tot inschakeling van de Arbo-dienst wel is nagekomen. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld, dat er sprake kan zijn van een dringende reden als bedoeld in artikel 27, zesde lid, van de WW, onder andere gelet op de slechte financiële positie van betrokkene, het feit dat hij geen recht heeft op bijstand in verband met eigen vermogen en diens zwakke arbeidsmarktpositie.

4.1. In hoger beroep heeft appellant onder meer gewezen op een nader rapport van de verzekeringsarts C.H.M. Heeskens-Reijnen van 21 maart 2006, waarin deze er op wijst dat verwardheid op zich geen symptoom van diabetes is maar wel voorkomt in samenhang met een door een niet geregelde diabetes veroorzaakte coma; in dit laatste geval is de situatie dermate ernstig dat directe medische hulp noodzakelijk is. Voor wat betreft de verplichtingen van de werkgever merkt appellant op, dat er zonder enig signaal dat er medische oorzaken voor een bepaald gedrag zijn, ook geen aanleiding is om de Arbo-dienst in te schakelen. De rechtbank heeft, volgens appellant, in feite een categorale toepassing gegeven aan het begrip dringende reden, hetgeen juist niet de bedoeling van de wetgever is geweest.

5. De Raad oordeelt als volgt.

5.1. Aan de orde is in de eerste plaats de vraag of sprake is van aan betrokkene toe te rekenen gedrag. Wil deze vraag ontkennend worden beantwoord, dan moet er, zo er een beroep wordt gedaan op medische achtergronden van een bepaald gedrag, in elk geval sprake van zijn, dat de voorhanden medische gegevens duidelijk (en overtuigend) in de richting wijzen dat - voor wat de situatie van betrokkene betreft - de verwardheid al in de jaren 2002/2003 bestond en dat deze zodanig was dat hij niet meer kon beseffen, dat het hem door de werkgever verweten gedrag - onder andere het zonder bericht wegblijven van het werk - tot ontslag zou kunnen leiden. De Raad ziet in de voorhanden zijnde medische gegevens onvoldoende aanknopingspunten om deze vragen in voor betrokkene positieve zin te beantwoorden. Daarbij dient er tevens op te worden gewezen, dat, indien de verwardheid inderdaad zo ernstig was als betrokkene stelt, het zich moeilijk laat indenken, dat betrokkene zonder problemen - daargelaten het te laat komen - zijn werk kon uitvoeren en bovendien een café kon exploiteren. In dit verband verdient het tevens opmerking, dat er voor de werkgever geen aanleiding behoefde te zijn om de Arbo-dienst in te schakelen of andere actie te ondernemen, indien er - kennelijk - geen enkel aanknopingspunt was om aan te nemen dat er een medische reden voor het gedrag van betrokkene was. Weliswaar is door betrokkene tevens gesteld, dat de sfeer op het werk slecht was en dat de werkgever hem meer terzijde had moeten staan omdat hij door collega’s gepest werd, maar - daargelaten of dit het onder andere zonder bericht wegblijven van het werk kan rechtvaardigen - een en ander is door betrokkene niet van enige concrete onderbouwing voorzien.

5.2. De Raad acht het aan betrokkene door de werkgever verweten gedrag aan hem toerekenbaar. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de Raad ook geen ruimte om aan te nemen, dat gesproken kan worden van verminderde verwijtbaarheid.

5.3. Ten aanzien van de eventueel in aanmerking te nemen dringende reden overweegt de Raad allereerst, dat deze, volgens vaste rechtspraak, niet kan bestaan uit factoren die te maken hebben met de oorzaak en de mate van verwijtbaarheid. Het enkele feit dat betrokkene geen bijstandsuitkering ontvangt en diens financiële positie slecht is - daargelaten dat betrokkene uitdrukkelijk heeft verklaard geen bijstand te hebben aangevraagd - rechtvaardigt nog niet zonder meer het aannemen van een dringende reden. Ook zijn onvoldoende gegevens voorhanden om aan te nemen dat de slechte positie waarin betrokkene zich volgens eigen stelling medio 2004 respectievelijk in 2005 bevond is veroorzaakt door de opgelegde maatregel.

5.4. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht omtrent de vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2006.

(get.) H. Bolt.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x