Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wwb
x
LJN:
x
AT3370
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 31-03-2005
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Er is voldoende aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening in te willigen en de werking van de aangevallen uitspraak op dit onderdeel op te schorten totdat de CRvB heeft beslist op het door verzoeker ingestelde hoger beroep.
 
 
 

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter 05/1269 WWB-VV en 05/1270 WWB-VV




U I T S P R A A K




inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, verzoeker,

en

[gedaagde 1] en [gedaagde 2], wonende te [woonplaats], gedaagden.




I. INLEIDING


Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Roermond op 12 januari 2005 tussen partijen gewezen uitspraak met registratienummer 04/826 NABW. Dit hoger beroep is bij de Raad geregistreerd onder de nummers 05/1239 WWB en 05/1240 WWB.

Verzoeker heeft tevens verzocht om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).




II. MOTIVERING


Ingevolge artikel 8:81 van de Awb in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Hierbij geldt dat voor het treffen van een voorlopige voorziening als in dit geval gevraagd, moet worden bezien of op grond van een afweging van de wederzijds in aanmerking komende belangen bij een al dan niet onmiddellijke uitvoering van de aangevallen uitspraak, het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. Daarbij komt ook in beeld de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven.Voorzover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Bij besluit van 1 juni 2004 heeft verzoeker het bezwaar van gedaagden tegen de primaire besluiten van 14 januari 2004 (besluit I), 26 januari 2004 (besluit II), 20 februari 2004 (besluit III) en 30 maart 2004 (besluit IV) ongegrond verklaard en deze besluiten gehandhaafd onder aanpassing van onder meer de wettelijke grondslag bij besluit IV.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het tegen het besluit van 1 juni 2004 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit in zijn geheel vernietigd wegens toepassing van onjuiste wettelijke bepalingen.

Verzoeker heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot integrale vernietiging van het besluit van 1 juni 2004 is overgegaan aangezien de rechtbank in deze uitspraak met betrekking tot besluit IV heeft geconcludeerd dat verzoeker de juiste wettelijke bepalingen heeft gehanteerd. Verzoeker heeft daarom verzocht om schorsing van de aangevallen uitspraak. De voorzieningenrechter begrijpt dit verzoek aldus dat verzocht wordt om schorsing van de aangevallen uitspraak voorzover hierbij het besluit van 1 juni 2004 terzake van besluit IV is vernietigd. Dit verzoek komt om de volgende redenen voor toewijzing in aanmerking.

Bij primair besluit IV heeft verzoeker op de aanvraag van gedaagden van 27 januari 2004 (melding 21 januari 2004) om bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1 december 2003 afwijzend beslist. Hierbij heeft verzoeker de afwijzing over de periode van 1 december 2003 tot 21 januari 2004 gebaseerd op artikel 4:6 van de Awb aangezien gedaagden geen nieuwe feiten en omstandigheden hebben aangevoerd ten opzichte van het eerdere besluit van 14 januari 2004 waarbij met ingang van 1 december 2003 het recht op algemene bijstand is ingetrokken. Voor de periode vanaf 21 januari 2004 heeft verzoeker de afwijzing gebaseerd op de artikelen 52 en 54 van de Abw in samenhang met artikel 7 van de Abw, omdat gedaagden de beschikking zouden hebben over een vermogen dat de toepasselijke vermogensgrens overschrijdt.

Bij besluit van 1 juni 2004 heeft verzoeker, onder meer, het bezwaar tegen besluit IV ongegrond verklaard en hierbij de wettelijke grondslag met betrekking tot de afwijzing van de bijstand met ingang van 21 januari 2004 gewijzigd in artikel 11, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (Wwb), artikel 65, eerste lid, van de Abw, artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwb en artikel 34 van de Wwb.

Bij de aangevallen uitspraak, waarin verzoeker is aangeduid als verweerder, heeft de rechtbank met betrekking tot besluit IV het volgende overwogen.
“Met betrekking tot het bestreden besluit dat betrekking heeft op primair besluit IV van 30 maart 2004, voor wat betreft deelbesluit A waarbij afwijzend is beslist op het verzoek om herziening van het primaire besluit I van 14 januari 2004, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht toepassing gegeven aan artikel 4:6 van de Awb. Met betrekking tot deelbesluit B waarbij de aanvraag om bijstand per 21 januari 2004 is afgewezen, heeft de voorzieningenrechter reeds in zijn uitspraak van 29 april 2004 hierover geoordeeld dat verweerder de onjuiste artikelen had gehanteerd. Dit verzuim heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit hersteld door thans met toepassing van het bepaalde in de Wwb te beslissen.”

Deze conclusie van de rechtbank komt niet overeen met het dictum van de aangevallen uitspraak waarbij het besluit van 1 juni 2004, na gegrondverklaring van het beroep, ook met betrekking tot besluit IV is vernietigd.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van gedaagden bij onmiddellijke uitvoering van de uitspraak niet opweegt tegen het belang dat verzoeker heeft bij schorsing van die uitspraak voorzover daarbij het besluit van 1 juni 2004 is vernietigd met betrekking tot besluit IV. Er is dan ook voldoende aanleiding om het verzoek in te willigen en de werking van de aangevallen uitspraak op dit onderdeel op te schorten totdat de Raad heeft beslist op het door verzoeker ingestelde hoger beroep.

Het verzoek om een voorlopige voorziening is kennelijk gegrond, zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb, uitspraak kan doen zonder zitting.

Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb acht de voorzieningenrechter ten slotte geen termen aanwezig.




III. BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb toe;
Schorst de werking van de aangevallen uitspraak van de rechtbank Roermond voorzover daarbij het besluit van 1 juni 2004 is vernietigd met betrekking tot primair besluit IV.
Bepaalt dat de griffier aan de gemeente Venlo het door verzoeker betaalde griffierecht van € 409,- terugbetaalt.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten, in tegenwoordigheid van T.A. Willems-Dijkstra als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2005.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) T.A. Willems-Dijkstra.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wwb | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x