Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wwb
x
LJN:
x
AT9299
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-06-2005
Soort procedure: voorlopige voorziening en hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Betrokkene, die twee stichtingen voert, is ten onrechte niet aangemerkt als zelfstandige.
 
 
 

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter 05/2149 BZ en 05/2247 BZ-VV




U I T S P R A A K




in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, in het geding tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Kapelle, gedaagde.




I. INLEIDING


Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 5 april 2005, reg. nr. 04/681.

Verzoeker heeft tevens verzocht om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is behandeld ter zitting van 31 mei 2005, waar verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenoot [naam echtgenote]], en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door R. van de Velde, werkzaam bij de gemeente Kapelle.




II. MOTIVERING


Algemeen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de voorzieningenrechter van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.



Hoofdzaak

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker en [naam echtgenote] voeren, ten tijde hier van belang, de volgende drie ondernemingen:
1. de eenmanszaak [naam eenmanszaak], die voornamelijk door [naam echtgenote] wordt gevoerd;
2. de Stichting [naam Stichting 1], die door verzoeker wordt gevoerd, en
3. de Stichting [naam Stichting 2], die eveneens door verzoeker wordt gevoerd.

Verzoeker heeft op 8 maart 2004, samen met zijn echtgenote [naam echtgenote], een aanvraag voor levensonderhoud als beŽindigende zelfstandige ingediend op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) en het hierop gebaseerde Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Deze aanvraag is tevens opgevat als een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) in aansluiting op een uitkering als beŽindigende zelfstandige.

Bij besluit van 8 juni 2004 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen en bepaald dat verzoeker evenmin in aanmerking kan worden gebracht voor een uitkering op grond van de Ioaz. Volgens gedaagde wordt niet aan het begrip zelfstandige in de zin van het Bbz 2004 en de Ioaz voldaan. [Naam echtgenote] voldoet naar het oordeel van gedaagde niet aan het vereiste urencriterium en ten aanzien van verzoeker stelt gedaagde zich op het standpunt dat de ondernemingsvorm van een stichting het niet mogelijk maakt om verzoeker aan te merken als zelfstandige.

Bij besluit van 10 augustus 2004 heeft gedaagde het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 8 juni 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het besluit van 10 augustus 2004 ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij is van opvatting dat de bepalingen van het Bbz 2004 en de Ioaz geen beletsel vormen om hem aan te merken als zelfstandige.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 1, aanhef en onder b, van het Bbz 2004 bepaalt, voorzover hier van belang, dat onder zelfstandige wordt verstaan: de belanghebbende van 18 tot 65 jaar, die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep hier te lande en die voldoet aan het urencriterium, bedoeld in artikel 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en alleen of samen met degenen met wie hij het bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent de volledige zeggenschap in dat bedrijf of zelfstandig beroep heeft en de financiŽle risicoís daarvan draagt.

Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bbz 2004 bepaalt dat algemene bijstand kan worden verleend aan de zelfstandige wiens bedrijf of zelfstandig beroep niet levensvatbaar is en die zich verplicht de activiteiten in het bedrijf of zelfstandig beroep zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 12 maanden, te beŽindigen. Op grond van artikel 27 van het Bbz 2004 is verlenging van deze termijn met ten hoogste 12 maanden op verzoek van de zelfstandige mogelijk voorzover de beŽindiging naar het oordeel van het college een langere termijn noodzakelijk maakt.

Uit de uitspraak van de Raad van 25 maart 1997 (LJN ZB6873) blijkt dat de stichtingsvorm van de onderneming niet aan het begrip zelfstandige in de weg hoeft te staan. Niet de juridische constructie is bepalend, als wel de mate waarin de situatie in economisch opzicht overeenkomt met die behorend bij een eenpersoonsbedrijf. Van belang hierbij is de mate waarin is voldaan aan de kenmerken van de zelfstandige zoals het werkzaam zijn in een eigen bedrijf of beroep, de inbreng van vermogen in dat bedrijf of beroep en de beheers- en bestuursbevoegdheden.

Deze onder de (oude) Algemene Bijstandswet en het daarop gebaseerde Bijstandsbesluit zelfstandigen (BZ) tot stand gekomen jurisprudentie blijft haar gelding behouden onder de Wwb. Het begrip zelfstandige zoals opgenomen in het BZ is niet wezenlijk gewijzigd bij de invoering van de (nieuwe) Algemene bijstandswet en het daarop gebaseerde Besluit bijstandsverlening zelfstandigen en heeft evenmin een wezenlijke wijziging ondergaan bij de invoering van het hier van toepassing zijnde Bbz 2004.

De verwijzing door gedaagde naar artikel 30 van het Bbz 2004, waar de stichting niet wordt genoemd, doet aan het voorgaande niet af. Dit artikel stelt enkel nadere voorwaarden aan de bijstandsverlening in de vorm van bedrijfskapitaal, hetgeen in dit geschil niet aan de orde is.

Verzoeker is sinds 22 december 1988 alleen en zelfstandig bevoegd bestuurder van de Stichting [naam Stichting 2]. Uit de statuten van deze stichting, die laatstelijk op 19 september 2001 zijn gewijzigd, blijkt onder meer het volgende. Het doel van de stichting is het verstrekken van adviezen voor kapitaalinvesteringen alsmede het bevorderen en aangaan van zakelijke en andere contacten tussen (kleine) ondernemers van Nederlandse, Duitse en/of andere nationaliteit, de bemiddeling daarbij en het bieden van faciliteiten in verband hiermee, in ruime zin des woords. Dit doel tracht de stichting te bereiken door het verzorgen van een complete administratieservice ten behoeve van binnen- en buitenlandse ondernemingen dan wel privťpersonen, een en ander voor rekening en risico van de betrokken opdrachtgever. De geldmiddelen van de stichting bestaan uit vergoedingen voor bewezen diensten en alle, op wettige wijze verkregen, andere baten. Uit de gedingstukken blijkt verder dat verzoeker voor de inkomsten uit deze stichting door de Belastingdienst wordt aangeslagen voor inkomstenbelasting en premieheffing.

Ter zitting heeft gedaagde desgevraagd aangegeven dat er geen twijfel bestaat dat verzoeker voldoet aan het urencriterium bedoeld in het Bbz 2004. Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker moet worden beschouwd als een zelfstandige in de zin van het Bbz 2004 alsmede in de zin van de Ioaz. De vraag of [naam echtgenote] met haar computerbedrijf [naam computerbedrijf] eveneens als zelfstandige in bovenbedoelde zin kan worden aangemerkt, is dan niet meer van belang en kan derhalve onbeantwoord blijven.

Van omstandigheden waaruit zou blijken dat verzoeker en [naam echtgenote] - anders dan in de aanvraag om bijstand is vermeld - niet de wil hadden om hun ondernemingen te beŽindigen, zoals door gedaagde is gesteld, is de voorzieningenrechter niet gebleken en komt evenmin overeen met de feiten nu deze ondernemingen, na eerst op non-actief te zijn gesteld, laatstelijk met ingang van 30 mei 2005 zijn beŽindigd.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat gedaagde verzoeker ten onrechte niet heeft aangemerkt als zelfstandige. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de voorzieningenrechter het beroep tegen het besluit van 10 augustus 2004 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met de wet. De voorzieningenrechter zal gedaagde voorts opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Van proceskosten is de voorzieningenrechter niet gebleken.



Voorlopige voorziening

Gelet op het oordeel in de hoofdzaak bestaat op grond van de thans beschikbare gegevens een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat verzoeker recht heeft op bijstand. In die omstandigheid ziet de voorzieningenrechter, mede gelet op de financiŽle situatie van verzoeker zoals ter zitting is gebleken, aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. In dit verband wordt aan gedaagde opgedragen om met ingang van 12 april 2005, zijnde de datum van indiening van het verzoek, tot zes weken nadat het nieuw te nemen besluit op bezwaar is bekendgemaakt aan verzoeker algemene bijstand toe te kennen naar de norm voor gehuwden als ware aan hem bijstand toegekend als beŽindigende zelfstandige op grond van het Bbz 2004. De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat verzoeker er rekening mee dient te houden dat niet valt uit te sluiten dat gedaagde bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar alsnog op belemmeringen stuit die toekenning van de gevraagde bijstand in de weg staan. In dat geval is gedaagde, in beginsel, op grond van artikel 45, tweede lid, van het Bbz 2004 gehouden om de op grond van deze uitspraak verleende bijstand terug te vorderen.

Van proceskosten van verzoeker is niet gebleken.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat - ook - het griffierecht ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening wordt vergoed.



III. BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

in de hoofdzaak:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 10 augustus 2004;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Bepaalt dat de gemeente Kapelle aan verzoeker het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal Ä 140,-- vergoedt.

op het verzoek om voorlopige voorziening:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht toe in die zin dat wordt bepaald dat gedaagde aan verzoeker met ingang van 12 april 2005 tot en met zes weken na de bekendmaking van het nieuw te nemen besluit op bezwaar bijstand toekent naar de norm voor gehuwden als ware aan hem bijstand toegekend als beŽindigende zelfstandige op grond van het Bbz 2004;
Bepaalt dat de gemeente Kapelle aan verzoeker het betaalde griffierecht van Ä 103,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2005.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wwb | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x