Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wwb
x
LJN:
x
AT9306
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-06-2005
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verzoek om voorlopige voorziening omdat anders uitvoering gegeven zou moeten worden aan de beslissing van de rechtbank en een nieuw besluit genomen zou moeten worden. Het verzoek wordt afgewezen omdat er geen sprake is van een spoedeisend belang.
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/2260 WWB-VV




U I T S P R A A K




inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verzoeker,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. INLEIDING


Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Haarlem op 23 februari 2005 tussen partijen gewezen uitspraak met registratienummer 04-1420.
Dit hoger beroep is bij de Raad geregistreerd onder nummer 05/2067 WWB.

Verzoeker heeft tevens verzocht om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).




II. MOTIVERING


Bij besluit van 30 maart 2004 heeft verzoeker de aanvraag van gedaagde om bijstand voor de kosten van levensonderhoud op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) afgewezen.

Op 1 juni 2004 heeft het Bureau Klachten, Bezwaar en Beroep van verzoeker gedaagde een brief gestuurd waarbij hij in kennis is gesteld over het nader onderzoek dat naar aanleiding van zijn bezwaar heeft plaatsgevonden. Verzoeker deelt in deze brief voorts mee dat, indien gedaagde niet binnen twee weken reageert, er vanuit wordt gegaan dat hij afziet van de mogelijkheid om over zijn bezwaar te worden gehoord.

Bij besluit van 12 juli 2004 heeft verzoeker het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 30 maart 2004 ongegrond verklaard. Verzoeker is er bij dit besluit vanuit gegaan dat gedaagde niet wenste te worden gehoord omdat gedaagde niet tijdig heeft gereageerd op de brief van 1 juni 2004.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling omtrent het griffierecht - het tegen het besluit van 12 juli 2004 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en verzoeker opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank heeft hierbij geoordeeld dat verzoeker ten onrechte gedaagde niet heeft gehoord omtrent zijn bezwaar en dat gedaagde hiervan nadeel heeft ondervonden. De rechtbank acht het in de gegeven omstandigheden niet onaannemelijk dat de eerste aanvraag zou zijn toegewezen indien eiser toentertijd in de gelegenheid was gesteld om zijn zienswijze mondeling toe te lichten voordat de beslissing op zijn bezwaar was genomen.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Volgens - inmiddels - vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de uitspraak van 2 december 2003, LJN AO0764, is de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen, niet bedoeld om door middel van de zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, en het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.

Verzoeker stelt belang te hebben bij een voorlopige voorziening omdat anders uitvoering gegeven zou moeten worden aan de beslissing van de rechtbank en een nieuw besluit genomen zou moeten worden waar verzoeker het inhoudelijk/juridisch niet mee eens is en daarvan in hoger beroep is gekomen. De voorzieningenrechter ziet hierin geen aanknopingspunt voor het aannemen van een zodanig spoedeisend belang dat de uitspraak in de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht.

Het verzoek om voorlopige voorziening is dan ook kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak kan doen zonder toepassing van artikel 8:83, eerste lid, van de Awb.

Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht ziet de voorzieningenrechter ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten, in tegenwoordigheid van T.A. Willems-Dijkstra als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2005.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) T.A. Willems-Dijkstra.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wwb | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x