Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wwb
x
LJN:
x
AU1241
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 26-07-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding terecht? Is de hoogte van de proceskostenveroordeling juist vastgesteld?
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/4186 WWB




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Medemblik, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 28 juni 2004, reg.nrs. WWB 04/552 en WWB 04/1228.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is, gevoegd met de gedingen met reg.nr. 03/4380 NABW en 05/115 WWB, behandeld ter zitting van 14 juni 2005, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door S. de Reus, werkzaam bij de gemeente Medemblik, bijgestaan door mr. R.J. Boekel, advocaat te Medemblik. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter - met een bepaling omtrent het griffierecht - voorzover van belang, het beroep in de hoofdzaak gegrond verklaard, het besluit op bezwaar van 8 juni 2004 vernietigd, de primaire besluiten van 10 maart 2004 en 15 maart 2004 herroepen, bepaald dat appellant met ingang van 8 maart 2004 onverminderd recht heeft op bijstand naar de toepasselijke bijstandsnorm en bepaald dat die uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Voorts heeft de voorzieningenrechter gedaagde veroordeeld in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 26,60. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om schadevergoeding, voorzover het betreft de vergoeding van wettelijke rente, toegewezen, doch het verzoek om schadevergoeding voor het overige afgewezen.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voorzover het betreft de afwijzing van het verzoek tot schadevergoeding en de hoogte van de proceskostenveroordeling.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Met betrekking tot de veroordeling tot schadevergoeding en de proceskostenveroordeling heeft de voorzieningenrechter bij de aangevallen uitspraak, waar voor verzoeker en verweerder dient te worden gelezen appellant en gedaagde, als volgt overwogen: “Nu wordt bepaald dat verzoeker met ingang van 8 maart 2004 recht heeft op bijstand dient het verzoek om schadevergoeding, voor zover dat betrekking heeft op vergoeding van wettelijke rente over de na te betalen uitkering, te worden toegewezen. Wat betreft de wijze waarop verweerder de aan verzoeker toekomende wettelijke rente moet berekenen volstaat de voorzieningenrechter met verwijzing naar vaste jurisprudentie (CRvB 1 november 1995, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, LJN ZB1495, en in JB 1995/314). Voor het overige wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Voor zover verzoeker stelt materiële schade te hebben geleden door het mislopen van bijstandsuitkering, merkt de voorzieningenrechter op dat uit deze uitspraak voortvloeit dat deze schade zich niet (meer) voordoet. Ten aanzien van de overige door verzoeker genoemde schadeposten is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker onvoldoende heeft onderbouwd dat hij schade heeft geleden en ook onvoldoende heeft onderbouwd dat deze schade, voor zover daar al sprake van zou zijn, het gevolg is van het vernietigde besluit. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor toewijzing van immateriële schade, nu niet aannemelijk is dat verzoeker in de persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.” (...) “Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 26,60 aan reiskosten. De door verzoeker genoemde advocatenkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu geen sprake is van door een advocaat of een andere derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De overige door verzoeker genoemde proceskosten, waaronder portokosten, kunnen niet worden vergoed, omdat het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voorziet in een vergoeding van deze kosten.”

De Raad heeft in hetgeen door appellant is aangevoerd en hetgeen overigens in de gedingstukken vermeld staat, geen aanleiding kunnen vinden om tot een ander oordeel te komen. Daarbij verenigt de Raad zich met de hierboven aangehaalde overwegingen, en maakt ze tot de zijne. Hij voegt daaraan nog het volgende toe. De Raad heeft al eerder geoordeeld - onder meer in zijn uitspraak van 28 december 2004, LJN AR8818 - dat, gelet op het limitatieve karakter van de regeling van de proceskostenvergoeding, die is neergelegd in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het daarop gebaseerde Besluit proceskosten bestuursrecht, de portokosten en de kosten van door appellant geďnvesteerde tijd in bezwaar- en (hoger)beroepschriften niet voor vergoeding in aanmerking komen. Aangezien artikel 8:75 van de Awb een exclusieve regeling inhoudt, is voor een (aanvullende) vergoeding van deze kosten op grond van artikel 8:73 van de Awb evenmin plaats.

Alle overige door appellant in hoger beroep aangevoerde grieven zijn naar het oordeel van de Raad niet te herleiden tot de hier aan de orde zijnde besluiten en dienen derhalve onbesproken te blijven.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham als voorzitter en mr. C. van Viegen en mr. S.W. van Osch-Leysma als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2005.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) S.W.H. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wwb | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x