Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wwb
x
LJN:
x
AU7410
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-11-2005
Soort procedure: voorlopige voorziening en hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De aanvraag voor bijstandsuitkering is buiten behandeling gesteld. Betrokkenen hebben niet binnen de hersteltermijn volledig voldaan aan het verzoek om aanvullende gegevens te leveren. Afwijzing voorlopige voorziening. Kortsluiting.
 
 
 

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter 05/6091 WWB-VV, 05/6092 WWB-VV, 05/4709 WWB en 05/4711 WWB




U I T S P R A A K




in de hoofdzaak, als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, in het geding tussen:


[verzoeker], verzoeker, en [verzoekster], verzoekster, beiden wonende te [woonplaats],

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam, gedaagde.




I. INLEIDING


Namens verzoekers heeft mr. F.I. Piternella, advocaat te Dongen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 23 juni 2005, reg.nrs. 05/2234 en 05/1580.

Verzoekers hebben tevens verzocht om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 15 november 2005, waar verzoekers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. Piternella, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door R. Braat, werkzaam bij de gemeente Schiedam. Tevens is gehoord de door verzoekers meegebrachte getuige [getuige].




II. MOTIVERING


Ingevolge artikel 8:81 van de Awb in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de voorzieningenrechter van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Verzoekers hebben op 21 juli 2004 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand ingediend voor de noodzakelijke kosten van het bestaan.

Bij brieven van 4, 12 en 30 augustus 2004 heeft gedaagde aan verzoekers om aanvullende gegevens verzocht ten behoeve van de behandeling van de aanvraag.

Bij brief van 8 oktober 2004 heeft gedaagde aan verzoekers verzocht om vr 15 oktober 2004 alsnog te verstrekken alle bankafschriften over de periode van 1 januari 2004 tot 13 juli 2004 van de rekeningen bij de ING- en Fortisbank en het bewijs van de tweede opname van 5.000,-- omstreeks oktober 2003 van rekeningnummer 67.02.30.316. Tevens is aan verzoekers meegedeeld dat het niet of niet volledig verstrekken van de gevraagde gegevens tot gevolg kan hebben dat de aanvraag buiten behandeling wordt gesteld.

Bij besluit van 18 oktober 2004 heeft gedaagde de aanvraag van verzoekers van 21 juli 2004 op grond van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling gesteld op de grond dat verzoekers niet volledig hebben voldaan aan het verzoek om vr 15 oktober 2004 de gevraagde gegevens in te leveren.
Bij besluit van 22 maart 2005 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 18 oktober 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, voorzover hier van belang, het tegen het besluit van 22 maart 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep hebben verzoekers zich in zoverre gemotiveerd tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank gekeerd.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Voor de beoordeling van het recht op bijstand is het in het algemeen noodzakelijk om inzicht te verkrijgen in de financile situatie in de aan de bijstandsaanvraag voorafgaande periode, zie ook de uitspraak van de Raad van 30 juli 2002, LJN AF2760.

In dit geval blijkt uit de rapportage van gedaagde van 15 oktober 2004 dat de door verzoekers overgelegde gegevens de vraag opriepen waarvan zij in de periode sedert het ontslag van verzoeker per 31 december 2003 tot de aanvraag op 21 juli 2004 hebben geleefd. Ook na de verzoeken om aanvullende informatie van 12 augustus 2004 en 30 augustus 2004 bleef onduidelijk waar verzoekers van hebben geleefd. Onder deze omstandigheden heeft gedaagde terecht bij brief van 8 oktober 2004 om de daarin genoemde nadere gegevens verzocht.

Uit de door gedaagde overgelegde rapportage van 15 oktober 2004 blijkt onder meer het volgende:
Clint levert op 8 oktober 2004 de volgende stukken in:
- De bankafschriften van de ING volgnummer 2 t/m 10.
- Een schriftelijke verklaring van partner dat de 7.000,-- met eigen geld al was
terugbetaald aan [betrokkene].

Op 13 oktober 2004 neemt clint contact op met rapporteur met het verzoek om voorschot. Rapporteur geeft aan dat de gevraagde gegevens niet compleet zijn, alleen spullen van de ING zijn ingeleverd en ook deze zijn niet compleet.

Op 14 oktober 2004 levert clint wederom stukken te weten de volgende:
- Een afschrift waarop de 2e opname van 5.000,-- staat bevestigd
- de bankafschriften van de Fortisbank volgnummer 2 t/m 14 van het jaar 2003.

Op grond van deze rapportage en de overige beschikbare gegevens stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoekers niet binnen de hersteltermijn volledig hebben voldaan aan het verzoek van 8 oktober 2004 nu het bankafschrift met volgnummer 1 van 2004 van de ING-bankrekening ontbrak en van de Fortis-bankrekening de gevraagde afschriften over de periode van 1 januari 2004 tot 13 juli 2004 nog steeds ontbraken.
De stelling van verzoekers dat deze stukken wel tijdig zijn ingeleverd, vindt in de thans beschikbare gegevens geen steun. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat verzoekers niet in staat waren om alle gevraagde gegevens tijdig in te leveren. De omstandigheid dat verzoekers op 22 oktober 2004 nog ontbrekende gegevens hebben ingeleverd doet aan het voorgaande niet af aangezien de hersteltermijn reeds was verstreken en niet binnen de hersteltermijn om uitstel is verzocht.

Gelet op het voorgaande was gedaagde bevoegd om de aanvraag van 21 juli 2004 met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling te stellen. Voorts kan niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandelingstelling van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.

Ook hetgeen overigens door en namens verzoekers is aangevoerd, heeft de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

In het voorgaande ligt besloten dat geen grond aanwezig is voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe moet worden afgewezen.

De voorzieningenrechter ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

in de hoofdzaak:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;

op het verzoek om voorlopige voorziening:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 november 2005.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wwb | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x