Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wwb
x
LJN:
x
AU9126
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Opschorting en intrekking bijstandsuitkering. Het niet tijdig inleveren van het informatieformulier.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/5917 WWB




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft B.H.F.M. de Boer hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 21 oktober 2004, reg.nr. 04/526 WWB.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 15 november 2005, waar appellant niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door C.W.M.G. Volleberg, werkzaam bij de gemeente Venlo.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sedert 9 april 2003 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb).

Bij besluit van 6 februari 2004 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2004 opgeschort op de grond dat appellant het informatieformulier over de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 januari 2004 (verder: het informatieformulier) niet op 2 februari 2004 bij gedaagde heeft ingeleverd. Gedaagde heeft daarbij tevens meegedeeld dat het recht op bijstand met ingang van 1 januari 2004 wordt beindigd indien het informatieformulier niet vr 16 februari 2004 is ingeleverd.

Bij besluit van 18 februari 2004 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2004 ingetrokken.

Bij besluit 27 april 2004 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 18 februari 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 27 april 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt allereerst vast dat tegen het opschortingsbesluit van 6 februari 2004 geen rechtsmiddel is aangewend, zodat dit thans in rechte vast staat.

Het besluit tot intrekking is gebaseerd op artikel 54, vierde lid, van de Wwb. Dit artikellid bepaalt dat, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

Vaststaat dat appellant het informatieformulier niet vr 16 februari 2004 heeft ingeleverd, hoewel hij er uitdrukkelijk op gewezen is dat dit zal leiden tot beindiging van het recht op bijstand. Dit verzuim is appellant aan te rekenen. Dat appellant, zoals hij stelt, problemen heeft met de Nederlandse taal staat daar niet aan in de weg. Het ligt op de weg van appellant bij taalproblemen hulp van derden in te roepen. In dit verband merkt de Raad op dat de vader van appellant tot januari 2004 de informatieformulieren voor zijn zoon invulde. Ook de grief dat appellant niet in de gelegenheid is geweest het informatieformulier vr 16 februari 2004 in te leveren vanwege zijn geestelijke toestand, slaagt naar het oordeel van de Raad niet. Weliswaar kan uit de gedingstukken worden afgeleid dat appellant behept is met het ADHD-syndroom, maar niet is gebleken dat dit syndroom hem heeft verhinderd het informatieformulier vr 16 februari 2004 in te leveren.

Met het voorgaande is gegeven dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Wwb is voldaan. Gemachtigde van gedaagde heeft ter zitting aangegeven dat gedaagde van zijn bevoegdheid om het recht op bijstand met ingang van 1 januari 2004 in te trekken gebruik heeft gemaakt omdat als gevolg van het ontbreken van het informatieformulier het recht op bijstand vanaf 1 januari 2004 niet kan worden vastgesteld en zich geen bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan van intrekking zou moeten worden afgezien. De Raad ziet geen grond te oordelen dat gedaagde niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking van het recht op bijstand gebruik heeft kunnen maken.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 december 2005.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R.C. Visser.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wwb | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x