Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wwb
x
LJN:
x
AV1341
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 31-01-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering. Schending van de inlichtingenverplichting. Het verrichten van productieve arbeid.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/5252 WWB en 04/5254 WWB




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, appellant.

en

[gedaagde 1] en [gedaagde 2], beiden wonende te [woonplaats], gedaagden,




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem van
26 augustus 2004, reg.nrs. 04-561, 567, 1229 en 1230 WWB.

Namens gedaagden heeft mr. F.P.M. van Gerven, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 20 december 2005, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Ph.H. Arnold, werkzaam bij de gemeente Zaanstad, en waar gedaagden zijn verschenen, bijgestaan door mr. Van Gerven.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Gedaagden ontvangen sedert 1 maart 1997 een bijstandsuitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden. Naar aanleiding van een anonieme melding dat gedaagde [gedaagde 1] (hierna: [gedaagde 1]) werkzaamheden verricht in een winkel in de gemeente Amsterdam, heeft de sociale dienst van de gemeente Zaanstad een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan gedaagden verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn inlichtingen ingewonnen bij de Kamer van Koophandel en zijn waarnemingen gedaan in en nabij de winkel. Op basis van het resultaat van dat onderzoek heeft appellant geconcludeerd dat [gedaagde 1] in de periode van 12 december 2003 tot en met 20 februari 2004 werkzaamheden heeft verricht in de hiervoor bedoelde winkel, die wordt geŽxploiteerd door de zwager van [gedaagde 1], en dat gedaagden daarvan geen mededeling aan appellant hebben gedaan.

Bij besluit van 19 februari 2004 heeft appellant het recht van gedaagden op bijstand met ingang van 1 februari 2004 ingetrokken (lees: beŽindigd). Tevens heeft appellant bij besluit van 3 maart 2004 het recht van gedaagden op bijstand over de periode van 12 december 2003 tot 1 februari 2004 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van Ä 1.619,93 van hen teruggevorderd. Bij afzonderlijke besluiten van 7 juni 2004 heeft appellant de tegen de besluiten van 19 februari 2004 en 3 maart 2004 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Aan zijn besluitvorming heeft appellant ten grondslag gelegd dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting door gedaagden hun recht op bijstand ten tijde hier van belang niet (langer) kan worden vastgesteld.

Bij de aangevallen uitspraak, voorzover in dit geding van belang, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank - met bepalingen omtrent de proceskosten en het griffierecht - de beroepen tegen de besluiten van 7 juni 2004 gegrond verklaard en die besluiten vernietigd. Daartoe is overwogen dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van appellant dat gedaagden de inlichtingenverplichting hebben geschonden als gevolg waarvan hun recht op bijstand niet langer kon worden vastgesteld.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Anders dan de voorzieningenrechter van de rechtbank, is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag vormen voor het standpunt van appellant dat [gedaagde 1] in de in geding zijnde periode in de winkel van zijn zwager werkzaamheden heeft verricht. [gedaagde 1] is in die periode op zeven verschillende data door een medewerker van de sociale dienst werkend in deze winkel aangetroffen. Daarbij was sprake van de gangbare in een winkel voorkomende activiteiten als het uitstallen van waren, verkopen, afrekenen en bijvullen van schappen.

Gedaagden hebben deze bevindingen als zodanig niet bestreden, maar stellen zich op het standpunt dat daarbij sprake is geweest van sociale activiteiten, hulp in de familiesfeer en een enkele incidentele waarneming van de zwager van [gedaagde 1] in verband met diens tijdelijke afwezigheid. De Raad volgt gedaagden daarin niet. Gezien de frequentie en de aard van de werkzaamheden, zoals hiervoor aangegeven, moet worden gesproken van productieve arbeid, die derhalve een economische waarde vertegenwoordigt en waartegenover normaliter een beloning staat. De verklaring van de zwager van [gedaagde 1], met name hierop neerkomende dat hij niet in staat is zich personeel te veroorloven, doet aan de onderzoeksbevindingen geen afbreuk. Bovendien wijkt deze verklaring af van de gedane waarnemingen.

Gedaagden hebben aan appellant geen mededeling gedaan van de werkzaamheden van [gedaagde 1]. Daarmee hebben zij de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw - welk artikel de gehele in geding zijnde periode nog van toepassing was - op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat, indien zij wel aan hun inlichtingenverplichting zouden hebben voldaan, aan hen (aanvullende) bijstand zou zijn verleend. Van de verrichte werkzaamheden is geen administratie voorhanden. Evenmin zijn gegevens voorhanden waaruit blijkt welke beloning [gedaagde 1] voor zijn werkzaamheden heeft ontvangen. De Raad passeert gezien het voorgaande de stelling van gedaagden dat [gedaagde 1] voor zijn werkzaamheden in het geheel niet is betaald. Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting kan derhalve niet worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre appellanten verkeerden in de omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Abw (tot 1 januari 2004) respectievelijk (vanaf 1 januari 2004) artikel 11, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (Wwb).

Gedaagde was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, van de Wwb bevoegd over te gaan tot intrekking van het recht van gedaagden op bijstand over de periode van 12 december 2003 tot en met 31 januari 2004 en tot beŽindiging van het recht op bijstand met ingang van 1 februari 2004. De Raad ziet in de gedingstukken en het verhandelde ter zitting geen grond voor het oordeel dat appellant in dit geval niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De door gedaagden gestelde financiŽle problemen zijn daartoe onvoldoende.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat appellant op grond van artikel 58, eerste lid, onder a, van de Wwb bevoegd was om tot terugvordering van de over de periode van 12 december 2003 tot 1 februari 2004 verleende bijstand over te gaan. Het standpunt van appellant dat er geen redenen zijn om in dit geval van deze bevoegdheid geen gebruik te maken, kan eveneens stand houden.

Het voorgaande brengt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient derhalve te worden vernietigd.

In beroep hebben gedaagden gehandhaafd het in bezwaar tegen het besluit van 19 februari 2004 ingenomen standpunt dat zij ten onrechte niet voorafgaand aan het nemen van dat besluit door appellant zijn gehoord. De Raad overweegt dienaangaande dat appellant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat, aangezien hier sprake is van schending van de inlichtingenverplichting door gedaagden, uit artikel 4:8, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat appellanten niet vooraf hoefden te worden gehoord.

Het voorgaande brengt mee dat de Raad, doende wat de voorzieningenrechter van de rechtbank had behoren te doen, het beroep ongegrond zal verklaren.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter, en mr. C. van Viegen en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2006.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) S.W.H. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wwb | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x