Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wwb
x
LJN:
x
AV1700
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De vaststelling van het aflossingsbedrag stemt overeen met 50% van de ruimte in het inkomen boven de beslagvrije voet. De andere helft werd reeds benut voor aflossing in verband met een vordering wegens achterstallige verhaalsbijdragen.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/2200 WWB




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 februari 2005, reg.nr. 04/1164 WWB.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 10 januari 2006, waar appellant - zoals tevoren aangekondigd - niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P.M. Hellenbrand, werkzaam bij de gemeente Sittard-Geleen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 27 april 2000 heeft gedaagde het recht op bijstand van [M. C.] over de periode van 1 juni 1997 tot en met 21 augustus 1998 alsmede van 8 september 1998 tot en met 30 juni 1999 ingetrokken en de over deze perioden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 6.593,36 van haar teruggevorderd.

Bij besluit van dezelfde datum heeft gedaagde op grond van artikel 84, tweede lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) dit bedrag mede van appellant teruggevorderd.

Bij besluit van 25 juli 2003 heeft gedaagde terzake van deze terugvordering het aflossingsbedrag voor appellant ingaande 1 augustus 2003 vastgesteld op € 39,89 per maand. Dit bedrag stemt overeen met 50% van de ruimte in het inkomen (een bijstandsuitkering van de gemeente [woonplaats]) boven de beslagvrije voet. De andere helft van de voor beslag vatbare ruimte werd reeds benut voor aflossing in verband met een vordering van de gemeente Valkenburg aan de Geul op appellant wegens achterstallige verhaalsbijdragen.

Bij besluit van 25 juni 2004 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 juli 2003, voorzover hier van belang, ongegrond verklaard. Daarbij heeft gedaagde in aanmerking genomen dat sprake is van een bevoorrechte vordering, welke voorrang heeft boven de schuld bij de SNS-bank waarop tot dan toe eenzelfde bedrag werd afgelost.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 25 juni 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Vaststaat dat appellant tegen het besluit van 27 april 2000, waarbij de gemaakte kosten van bijstand tot het bedrag van € 6.593,36 mede van hem zijn teruggevorderd, niet tijdig een rechtsmiddel heeft aangewend, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden.

Ingevolge artikel 87, tweede lid, in verbinding met artikel 14f, tiende lid, van de Abw, voorzover hier van belang, geschiedt de tenuitvoerlegging van een besluit tot terugvordering zodanig dat de belanghebbende blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, als bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv). Tussen partijen is niet in geschil dat de ingevolge artikel 475d, derde lid, van Rv voor appellant ten tijde in geding geldende beslagvrije voet moet worden vastgesteld op € 717,97, zodat als beslagvrije ruimte resteerde € 79,78 per maand.

De vorderingen van gedaagde en van de gemeente Valkenburg aan de Geul op appellant zijn ingevolge artikel 89 respectievelijk artikel 105 van de Abw bevoorrecht en hebben dientengevolge voorrang boven de vordering van de SNS-bank op appellant.

De Raad laat daar wat er zij van de gemaakte afspraken tussen gedaagde en de gemeente Valkenburg aan de Geul terzake van het gelijkelijk verdelen van de beslagvrije ruimte voor invordering van de resterende schuld door beiden, nu vaststaat dat door de gemeente Valkenburg aan de Geul (ondanks het feit dat het om eerder gemaakte kosten van bijstand zou gaan) slechts 50% van de beslagvrije ruimte voor invordering wordt benut, zodat 50% van die ruimte voor gedaagde resteert.

Gelet op het voorgaande komt de Raad tot de slotsom dat gedaagde ten tijde in geding het maandelijks door appellant op de vordering van € 6.593,36 af te lossen bedrag terecht op € 39,89 heeft vastgesteld.

In hetgeen overigens door appellant is aangevoerd ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2006.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) L. Jörg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wwb | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x