Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wwb
x
LJN:
x
AV3927
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-02-2006
Soort procedure: verzet
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Er is geen rechtvaardiging voor de uitzondering op het wettelijk appèlverbod. Het verzet is ongegrond.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/5553 WWB-V en 05/5554 WWB-V




U I T S P R A A K




met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gedingen tussen:

Stichting [naam Stichting 1], en Stichting [naam Stichting 2], beiden gevestigd te [vestigingsplaats], opposanten,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, geopposeerde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Bij uitspraak van de Raad van 25 oktober 2005 is het door opposanten ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 juli 2005, reg.nr. 05/880, waarbij met toepassing van artikel 8:55 van de Awb is beslist op het verzet tegen een uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van die wet, niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft O. de Rooij namens opposanten een verzetschrift ingediend. De gronden van het verzet zijn nader aangevuld bij brief van 30 januari 2006.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 14 februari 2006, waar opposanten zich hebben laten vertegenwoordigen door De Rooij. Geopposeerde heeft zich, zoals aangekondigd, niet laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Verzet, als bedoeld in artikel 8:55 van de Awb, betreft uitsluitend de vraag of de Raad ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens - in dit geval - de kennelijke niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep.

Opposanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 juli 2005 waarbij het verzet tegen een uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van die wet, ongegrond is verklaard. De uitspraak van de rechtbank van 15 juli 2005 is dan ook een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, onder b van de Awb waartegen, gelet op artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c van de Beroepswet, geen hoger beroep kan worden ingesteld.

Hetgeen namens opposanten is aangevoerd kan niet leiden tot het oordeel dat sprake is geweest van evidente schending van beginselen van een goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk proces waarborgen, die een uitzondering op dit wettelijk appèlverbod rechtvaardigt.

Het vorenstaande brengt met zich mee dat de Raad kennelijk onbevoegd was van het hoger beroep kennis te nemen, zodat de Raad zich onbevoegd had dienen te verklaren. In de omstandigheid dat de Raad bij uitspraak van 25 oktober 2005 het hoger beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard ziet de Raad geen grond om tot gegrondverklaring van het verzet over te gaan.

Daarmee is tevens gegeven dat er voor de Raad thans geen ruimte is om met toepassing van artikel 234 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap over te gaan tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

Gelet op het vorenstaande bestaat er aanleiding het verzet met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Awb ongegrond te verklaren.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr. R.J. van der Veen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2006.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) R.J. van der Veen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wwb | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x