Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wwb
x
LJN:
x
AV8581
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Bijstand in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek (krediethypotheek). Verzoek om kwijtschelding van het restant van de vordering.
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/1733 WWB en 05/1734 WWB




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te [woonplaats],

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellanten heeft mr. H. Klein Hesselink, advocaat te Terneuzen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 7 februari 2005, reg.nr. Awb 04/539.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 28 februari 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Klein Hesselink, en waar gedaagde zich niet heeft laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellanten ontvingen sedert 1 januari 1981 een bijstandsuitkering aanvankelijk ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (RWW), later op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) en laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb). Appellanten beschikken sedert de aanvang van de bijstandsverlening over een eigen woning. Na verschillende taxaties in de loop der jaren heeft dit - uiteindelijk - geleid tot het besluit van gedaagdes rechtsvoorganger van 24 januari 1996 om appellanten met ingang van 1 april 1994 bijstand te verlenen in de vorm van een geldlening onder verband van krediethypotheek, waarbij het maximum van de geldlening is bepaald op f 60.583,34. In dat kader is op 10 november 1995 een notariële hypotheekakte opgemaakt. Bij beschikking van 12 april 1995 heeft de kantonrechter te Terneuzen vastgesteld dat door appellant, zoals partijen zijn overeengekomen, met ingang van 1 maart 1995 maandelijks een bedrag van f 100,-- zal worden voldaan terzake van gemaakte kosten van bijstand totdat een totaalsom van f 23.458,79 (€ 10.645,13) volledig zal zijn voldaan. Deze vordering vond zijn oorzaak in teveel verstrekte bijstand wegens niet gekorte inkomsten uit arbeid van appellante als zangeres in de periode van 1 januari 1988 tot 1 januari 1994.

Op 17 november 2003 hebben appellanten aan gedaagde verzocht het restant van de vordering van € 10.645,13, te weten: € 5.880,40, kwijt te schelden.

Bij besluit van 20 januari 2004 heeft gedaagde dit verzoek afgewezen op de grond dat deze vordering door hypotheek is gedekt en dat de beschikking van de kantonrechter dient te worden gerespecteerd.

Bij besluit van 15 juni 2004 heeft gedaagde het tegen het besluit van 20 januari 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 15 juni 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep hebben appellanten zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



Ten aanzien van het toepasselijke recht

Met ingang van 1 januari 2004 is de Wwb in werking getreden en is de Abw ingetrokken. Uit hetgeen de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 21 april 2005 (LJN AT4358, gepubliceerd in JWWB 2005/224, RSV 2005/163 en USZ 2005/204) volgt dat gedaagde vanaf 1 januari 2004 aan de artikelen 58 en 59 van de Wwb zijn bevoegdheid ontleent om tot terugvordering over te gaan. In het verlengde hiervan acht de Raad het, bij gebreke van specifieke overgangsbepalingen, aangewezen ook terzake van na 31 december 2003 genomen besluiten inzake verzoeken om (verder) af te zien van terugvordering het regime van de Wwb van toepassing te achten. De Raad stelt voorts vast dat in de Wwb geen gelijkluidend of met artikel 78c van de Abw vergelijkbare bepaling is opgenomen. Uit de gedingstukken kan worden afgeleid dat gedaagde terzake sedert 1 januari 2004 beleid voert overeenkomstig hetgeen voorheen in artikel 78c van de Abw was neergelegd, met dien verstande dat van de in dat artikel neergelegde bevoegdheid overeenkomstig het onder de Abw geldende beleid gebruik wordt gemaakt.



Ten aanzien van de zaak ten gronde

De Raad stelt eerst vast dat het door gedaagde gevoerde beleid niet in strijd komt met algemeen verbindende voorschriften waarop het is gebaseerd en past binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling.

Met betrekking tot de vraag of gedaagde in de onderhavige zaak overeenkomstig de gestelde beleidsregel heeft gehandeld, overweegt de Raad het volgende.

Ingevolge artikel 78c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw kunnen burgemeester en wethouders besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de belanghebbende gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan. Artikel 78c, derde lid, van de Abw bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is ten aanzien van vorderingen welke door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt.

In de tussen partijen op 10 november 1995 opgemaakte hypotheekakte is - voorzover van belang - het volgende opgenomen:

“De comparanten sub 1.a. en b. genoemd (lees: appellanten) verklaarden tot zekerheid voor de betaling van la (lees: al) hetgeen de comparant sub 1.a. genoemd mocht verschuldigd zijn of worden aan de gemeente, wegens de door die gemeente aan hem krachtens de Groepsregeling, artikel 11 van de Algemene Bijstandswet verstrekte of nog te verstrekken bijstand ingevolge de Rijksgroepsregeling Werkloze Werknemers in de vorm van een geldlening onder hypothecair verband:
a. ingevolge haar beschikking gedateerd één januari negentienhonderd éénentachtig;
b. ingevolge iedere andere beschikking van de gemeente of haar rechtsopvolger krachtens genoemd artikel 11, zulks tot een bedrag van zestig duizend vijf honderd drie en tachtig gulden vier en dertig cent (f. 60.583,34), vormende dit bedrag het maximum bedrag van geldlening als bedoeld in artikel 2 van het Bijstandsbesluit krediethypotheek (…),
ten behoeve van de gemeente, recht van tweede hypotheek te verlenen op: Het woonhuis met aanbehoren, erf, tuin, en weiland, plaatselijk bekend [het adres te woonplaats] (...).”

en

“De ter leen verstrekte of nog te verstrekken bedragen zullen, onverminderd het bepaalde in artikel 58 en artikel 59 van de Algemene Bijstandswet, opeisbaar zijn indien de verplichtingen voortvloeiende uit het Bijstandsbesluit krediethypotheek door de comparanten sub 1.a. en b. genoemd, niet wordt nagekomen, alsmede indien één of meer van de in deze akte gemaakte bepalingen en bedingen overtreden wordt.”

Gelet op het vorenstaande kan het standpunt van gedaagde dat (ook) de vordering uit hoofde van de over de periode van 1 januari 1988 tot 1 januari 1994 niet gekorte inkomsten uit arbeid door hypotheek is gedekt niet worden gevolgd. Uit de hierboven aangehaalde tekst van de hypotheekakte blijkt immers dat slechts zekerheid wordt gesteld voor de terugbetaling van in de vorm van een geldlening verstrekte bijstand. De enkele vermelding van een op 1 januari 1981 (bedoeld zal zijn: 27 mei 1981) gedateerde beschikking doet hier niet aan af. Vaststaat immers dat de over de periode van 1 januari 1988 tot 1 januari 1994 verstrekte bijstand om niet is verleend en dat eerst met ingang van 1 april 1994 - wegens overwaarde in de eigen woning - tot voortzetting van de bijstand in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek is overgegaan. Indien en zodra ter zake van de vanaf 1 april 1994 verleende bijstand het kredietplafond van f 60.583,34 wordt bereikt, zal de bijstand - indien ook overigens aan de voorwaarden voor bijstandsverlening is voldaan - om niet worden gecontinueerd. Dit betekent dat gedaagde een onjuiste toepassing heeft gegeven aan het door hem ter zake van afzien van verdere terugvordering van kosten van bijstand gevoerde beleid.

De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 15 juni 2004 wegens strijd met artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen en bepalen dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen.

Met het oog op het nieuw te nemen besluit merkt de Raad nog het volgende op. Blijkens het verhandelde ter zitting hebben appellanten sedert 1 maart 1995 onafgebroken een bedrag van f 100,-- (€ 45,38) per maand afgelost op de oorspronkelijke vordering van f 23.458,79. Ten tijde in geding hadden appellanten dus reeds ruim 8,5 jaar volledig aan hun betalingsverplichtingen voldaan, zodat gedaagde zich conform het eigen beleid op kwijtschelding van de restantvordering dient te beraden. De Raad merkt in dat verband nog op dat, anders dan gedaagde meent, de beschikking van de kantonrechter van 12 april 1995 op zichzelf niet aan kwijtschelding van de restantvordering in de weg staat. Ten slotte zal gedaagde bij het nieuw te nemen besluit tevens een beslissing dienen te nemen inzake de gevorderde kosten in verband met de behandeling van het bezwaar.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 15 juni 2004;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Sluis;
Bepaalt dat de gemeente Sluis aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2006.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R.C. Visser.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wwb | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x