Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wwb
x
LJN:
x
AW1757
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging van verplichtingen gericht op de inschakeling in de arbeid.
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/2032 WWB




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 22 maart 2005, reg.nr. 04/584 WWB.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn nadere stukken ingezonden.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 28 februari 2006, waar partijen, gedaagde met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de
aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant ontving vanaf 24 augustus 2001 van gedaagde een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande. Met ingang van 15 september 2002 heeft appellant met de Stichting Gemeentelijke Werkgelegenheidsprojecten een arbeidsovereenkomst gesloten in het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw) en is hij in dat verband gaan werken bij Impuls. De bijstand is met ingang van laatstgenoemde datum beŽindigd. Per 14 november 2002 is appellant in de proeftijd ontslagen, waarna hem bij besluit van 21 januari 2003 met ingang van 24 december 2002 weer een uitkering ingevolge de Abw is toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Bij dat besluit is hij erop gewezen dat voor hem de arbeidsverplichtingen op grond van artikel 113 van de Abw gelden.

Bij besluit van 7 november 2003 heeft gedaagde met toepassing van artikel 106 van de Abw aan appellant de verplichting opgelegd om mee te werken aan een psychodiagnostisch/psychotechnisch onderzoek bij Argonaut.

Bij besluit van 13 april 2004 heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen het besluit van 7 november 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 13 april 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Uit de gedingstukken, waaronder de Eindrapportage Wiw/Start Voortraject van 13 maart 2003, de rapportage heronderzoek doelmatigheid van 22 oktober 2003 en de notitie deelnemer van 16 december 2003 blijkt dat appellant langdurig werkloos is en dat hij sedert lange tijd begeleid wordt bij het vinden van werk. In het kader daarvan is appellant een dienstverband in het kader van de Wiw aangeboden, welk dienstverband in de proeftijd is beŽindigd. De oorzaak daarvan ligt blijkens de genoemde Eindrapportage in een gebrek aan sociale en communicatieve vaardigheden bij appellant. Vervolgens is in samenspraak met appellant besloten dat hij aan een voortraject zou gaan deelnemen. In dat verband zou eerst een psychodiagnostisch/psychotechnisch onderzoek plaatsvinden om te kunnen vaststellen welk traject ten behoeve van de inschakeling in de arbeid was aangewezen. Appellant heeft uiteindelijk geweigerd mee te werken aan dit onderzoek, aangezien hij de noodzaak daarvan niet in zag. Vervolgens is appellant bij besluit van 7 november 2003 de verplichting opgelegd om mee te werken aan een psychodiagnostisch/psychotechnisch onderzoek bij Argonaut.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat gedaagde op grond van artikel 106 van de Abw bevoegd is aan appellant ťťn of meer specifieke verplichtingen gericht op inschakeling in de arbeid op te leggen. In dat kader heeft gedaagde in redelijkheid aan appellant de verplichting kunnen opleggen om mee te werken aan een psychodiagnostisch/psychotechnisch onderzoek bij Argonaut. De Raad baseert zich daarbij op inhoud van de genoemde rapporten. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om die voor onjuist te houden. Naar het oordeel van de Raad blijkt uit die rapporten genoegzaam dat met het oog op het te volgen traject door appellant ten behoeve van de inschakeling in de arbeid deelname aan een psychodiagnostisch/psychotechnisch onderzoek was aangewezen, hetgeen hem in diverse gesprekken is meegedeeld. Voorts heeft gedaagde zowel in het primaire besluit van 7 november 2003 als in het besluit op bezwaar van 13 april 2004 aangegeven wat de reden voor het onderzoek bij Argonaut was. De Raad kan appellant dan ook niet volgen in zijn stelling dat het besluit van 13 april 2004 onvoldoende is gemotiveerd. Dat appellant blijkens de in hoger beroep namens hem ingezonden gedingstukken thans kennelijk het recht heeft rapportering aan gedaagde te blokkeren doet er niet aan af dat de in geding zijnde verplichting aan appellant kon en mocht worden opgelegd.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2006.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R.C. Visser.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wwb | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x