Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wwb
x
LJN:
x
AX3047
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-05-2006
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Een verzoek om voorlopige voorziening is niet bedoeld om kortsluiting te bewerkstelligen. Er is geen spoedeisend belang.
 
 
 

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter 06/948 WWB-VV




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 januari 2006, 05/8467 en 05/8468 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

verzoeker.

Datum uitspraak: 12 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2006. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Siemerink, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. drs. J.H.T. van Brunschot, advocaat te ’s-Gravenhage.




II. OVERWEGINGEN


Voor een overzicht van de voor de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Bij besluit van 11 februari 2005 is de uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) van betrokkene met ingang van 1 januari 2005 beëindigd.

Bij besluit van 27 oktober 2005 heeft verzoeker het bezwaar tegen het besluit van 11 februari 2005 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat verzoeker de bijstandsbehoevendheid van betrokkene niet naar behoren kan vaststellen doordat betrokkene zijn inlichtingenplicht heeft geschonden.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter, voorzover van belang, - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het tegen het besluit van 27 oktober 2005 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het primaire besluit van 11 februari 2005 eveneens vernietigd. Volgens de rechtbank is het besluit van 27 oktober 2005 onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de uitspraak van 2 december 2003, LJN AO0764, de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen, niet is bedoeld om door middel van de zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, en het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.

Met betrekking tot het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Verzoeker heeft ter zitting aangevoerd dat de spoedeisendheid is gelegen in de omstandigheid dat als verzoeker ter uitvoering van de aangevallen uitspraak bijstand verstrekt over een periode in het verleden, de mogelijkheid bestaat, indien in hoger beroep de uitspraak wordt vernietigd, dat deze bijstand niet dan slechts met grote inspanning kan worden terug- en ingevorderd. Voorts heeft verzoeker ter zitting gesteld dat hij voor problemen komt te staan bij een onderzoek naar de woonsituatie van betrokkene over de periode januari 2005 tot augustus 2005, omdat betrokkene in deze periode vier adressen heeft gehad.

De voorzieningenrechter ziet in hetgeen door verzoeker is aangevoerd geen zodanig spoedeisend belang dat de uitspraak in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Ingevolge artikel 19 van de Beroepswet in samenhang met bijlage C bij de Beroepswet schort het hoger beroep, ingesteld tegen een uitspraak met betrekking tot een besluit op grond van de Wwb, de werking van die uitspraak niet op. Gelet op deze uitdrukkelijke keuze van de wetgever, komt het door verzoeker ter zitting beschreven risico voor rekening van het bijstandsverlenend orgaan tenzij bijzondere omstandigheden nopen om hiervan af te wijken. Van dergelijke omstandigheden is de voorzieningenrechter niet gebleken. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht.

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker dient te worden afgewezen.

De voorzieningenrechter ziet ten slotte aanleiding om verzoeker te veroordelen in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker heeft gemaakt. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af;
Veroordeelt verzoeker in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,--, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L.M. Reijnierse als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2006.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) L.M. Reijnierse.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wwb | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x