Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wwb
x
LJN:
x
AX6479
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Betrokkene heeft onjuiste informatie verstrekt over zijn woonadres. Schending van de inlichtingenverplichting met als gevolg dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/4766 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 juni 2005, 04/2172 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College).

Datum uitspraak: 30 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. B.J. Tieman, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Tieman. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant heeft op 29 maart 2004 een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) ingediend. Appellant heeft opgegeven aan de [adres 1] te [woonplaats] te wonen, alwaar hij sinds 12 juli 1981 in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven. Tijdens een gesprek dat appellant op 29 maart 2004 in het kader van zijn aanvraag had met medewerkers van de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SoZaWe) blijkt dat veel post voor appellant geadresseerd is op het adres [adres 2] te [woonplaats]; het adres van zijn zuster. Vervolgens hebben twee medewerkers van SoZaWe van de gemeente Utrecht op 30 maart 2004 een huisbezoek afgelegd op het door appellant opgegeven woonadres. De bevindingen van dit huisbezoek, zoals neergelegd in een rapport van 2 april 2004 en in samenhang bezien met hetgeen is gebleken bij het intakegesprek op 29 maart 2004 zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 5 april 2004 de aanvraag af te wijzen op de grond dat appellant aan de op hem ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wwb rustende inlichtingenplicht niet heeft voldaan en dat als gevolg hiervan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Bij besluit van 7 juli 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 5 april 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 juli 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat appellant ten tijde in geding niet daadwerkelijk woonachtig was op het door hem opgegeven adres [adres 1] te [woonplaats]. De Raad kan zich met hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak ter zake heeft overwogen geheel verenigen. De Raad voegt hieraan nog toe dat appellant tijdens de in de bezwaarfase gehouden hoorzitting de onduidelijkheid omtrent zijn woonsituatie alleen nog maar heeft vergroot door daar te stellen dat hij, behalve op het adres van zijn ouders en op dat van zijn zuster, ook nog op het adres van een andere zuster verblijft.

De Raad is voorts met de rechtbank en het College van oordeel dat, nu appellant geen duidelijkheid omtrent zijn woonsituatie heeft verschaft, hij niet heeft voldaan aan de op hem ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wwb rustende inlichtingenplicht. Hierdoor is het recht op bijstand ingevolge de Wwb niet vast te stellen. Het College heeft de aanvraag van appellant om bijstand dan ook terecht afgewezen.

In hetgeen door appellant overigens is aangevoerd, ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2006.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wwb | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x