Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wwb
x
LJN:
x
AX6778
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is de aanvraag voor bijstandsuitkering terecht buiten behandeling gesteld vanwege het niet verschaffen van de noodzakelijke gegevens?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/1874 WWB en 05/7008 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 23 februari 2005, 05/339 en 05/341 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 6 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B.L. Krahmer, werkzaam bij de gemeente Helmond. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W.A. Braams, advocaat te Helmond.




II. OVERWEGINGEN


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Op 25 mei 2004 heeft betrokkene een aanvraag om gezinsbijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) ingediend. Bij besluit van 29 juli 2004 heeft appellant deze aanvraag buiten behandeling gesteld op de grond dat betrokkene de aanvraag niet binnen de gestelde termijn met nadere gegevens heeft aangevuld. Tevens heeft appellant de verstrekte voorschotten tot een bedrag van € 1.050,-- van betrokkene en diens echtgenote teruggevorderd.

Bij besluit van 11 januari 2005 heeft appellant het tegen het besluit van 29 juli 2004 gemaakte bezwaar - met wijziging van de grondslag - ongegrond verklaard. Daartoe heeft appellant overwogen dat betrokkene onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over de aan de aanvraag voorafgaande periode, zodat het recht op bijstand op en na 25 mei 2004 niet kan worden vastgesteld.

Bij de aangevallen uitspraak, voorzover van belang, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het tegen het besluit van 11 januari 2005 ingestelde beroep - met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten - gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

Bij besluit van 18 juli 2005 heeft appellant vervolgens ter uitvoering van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank het bezwaar tegen het besluit van 29 juli 2004 alsnog gegrond verklaard en betrokkene met ingang van 25 mei 2004 in aanmerking gebracht voor een Wwb-uitkering naar de norm voor gehuwden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft - kort samengevat - onder verwijzing naar de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank van 3 september 2004 geoordeeld, dat betrokkene en zijn echtgenote uiteindelijk voldoende duidelijkheid hebben verschaft omtrent het verblijf van betrokkene in het Verenigd Koninkrijk en in voldoende mate inzicht hebben gegeven in hun financiële positie, zodat het recht op bijstand per 25 mei 2004 kon worden vastgesteld.

De Raad ziet in hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht geen aanleiding om het oordeel van de voorzieningenrechter van de rechtbank voor onjuist te houden. Aan de aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen voegt de Raad nog het volgende toe.

Uiteraard staat het een bestuursorgaan vrij, en is hij bij twijfel zelfs gehouden, nader onderzoek te doen naar de vraag hoe de aanvrager voorafgaand aan de bijstandsaanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien en voorts na te gaan of de betrokkene ten tijde van de aanvraag over middelen beschikt of kan beschikken die aan bijstandsverlening in de weg staan en/of overigens aan de voorwaarden voor bijstandsverlening is voldaan. Van de bijstandsaanvrager kan worden verlangd om naar vermogen gegevens te verstrekken die nodig zijn om het recht op bijstand te kunnen vaststellen. Evenals de rechtbank is de Raad niet gebleken dat betrokkene in dat opzicht niet in toereikende mate medewerking heeft verleend en niet datgene heeft gedaan wat onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid van hem kon worden gevergd. De Raad stelt voorts vast dat appellant er om hem moverende redenen van heeft afgezien de door betrokkene verstrekte gegevens te verifiëren. Dat dit niet mogelijk was heeft appellant niet aannemelijk kunnen maken. Daarnaast merkt de Raad nog op dat van de zijde van appellant ter zitting is bevestigd dat er geen concrete aanwijzingen of aanknopingspunten zijn dat betrokkene ten tijde van de aanvraag (nog) over in aanmerking te nemen middelen beschikte die aan bijstandsverlening in de weg stonden.

In het voorgaande ligt besloten dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden bevestigd. Aangezien appellant reeds bij zijn besluit van 18 juli 2005 (ter uitvoering van de aangevallen uitspraak) met ingang van 25 mei 2004 is overgegaan tot bijstandsverlening aan betrokkene en zijn gezin naar de gehuwdennorm en - naar de Raad aanneemt - daarmee ook reeds het verstrekte voorschot van € 1.050,-- is verrekend, is van appellant terzake geen nadere actie vereist.

De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Helmond aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat van de gemeente Helmond een griffierecht van € 422,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en R.H.M. Roelofs en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2006.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) P.E. Broekman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wwb | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x